Open Monumentendag 2001: De Marke Mandron/Manderen

Bij bovengenoemde, zeer succesvolle, open monumentendag verscheen een begeleidend boekwerk dat veel cultuurhistorische informatie over Maarn bevat. Een goede reden om het boekje hier op te nemen!

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Omslag:


Titelpagina:

De geschiedenis van de agrarische ontginningen
aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug


De Marke
Mandron/Manderen



David Vroon
Kees van Lambalgen






CULTUURHISTORISCHE COMMISSIE MAARN-MAARSBERGEN NATUURLIJK


Bij de omslag:
Karakteristiek voor de historie van Maarn zijn de kleine boerderijen die nog op enkele plaatsen in het dorp en het buitengebied worden aangetroffen. Boerderij Berkenzand is daar een voorbeeld van. Tezamen met de oude, nog goed zichtbare, ontginningspatronen in het landschap vormen de boerderijtjes een tastbare herinnering aan de lange, agrarische ontwikkelingsgeschiedenis van Maarn. Het zo gaaf mogelijk bewaren van de laatste boerderijtjes en de structuur van de ontginningen acht de Cultuurhistorische commissie van de Vereniging Maarn-Maarsbergen dan ook van het grootste belang.

September 2001

Vormgeving: Pre Press Buro Booij, Maarsbergen/Huis ter Heide
Druk: Van Rossum's Drukkerij, Maarsbergen

@ Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Cultuurhistorische Commissie van de Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk.


Inhoud

Woord vooraf

Routekaart

Beknopte geschiedenis van Maarn

  1. Inleiding
  2. De ijstijd en de eerste bewoners
  3. De oudste ontginningen: de Eng en de Haar
  4. De gemene gronden
    1. De Meent
    2. De Birk
    3. Het Veen

Routebeschrijving

  1. Dorpshuis De Twee Marken
  2. Boerderij Berkenzand
  3. Droststeeg
  4. De Koeheuvels
  5. Boerderij De Hoekenkamp
  6. Huize Landeck
  7. Boerderij Eijkelenburg
  8. De Meent

Bronnen

  1. Literatuur
  2. Overige informatie
  3. Fotoverantwoording

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Woord vooraf

Van het dorp Maarn wordt wel eens gezegd dat het vrijwel geen geschiedenis heeft. Deze stelling is niet juist. Maarn heeft een zeer interessante ontwikkelingsgeschiedenis. Na de laatste ijstijd, zo'n 10.000 jaar geleden vestigden zich de eerste bewoners op de plaats waar nu het dorp ligt. Dit waren jagers en verzamelaars die vanaf zo'n 7.000 jaar geleden hun nomadische bestaan opgaven en overschakelden op landbouw en veeteelt. Sporen van hun aanwezigheid, grafheuvels, urnenvelden en artefacten (bewerkte vuursteensplinters uit de prehistorie), zijn nog steeds in gemeente Maarn te vinden. Daarna is Maarn bijna 7000 jaar een dunbevolkte, agrarische samenleving geweest. Op de arme zandgronden aan de rand van de Heuvelrug probeerden de mensen een bestaan op te bouwen. Door allerlei ontwikkelingen in de landbouw en de bevolkingsgroei werd steeds meer grond in cultuur gebracht, vooral vanaf de middeleeuwen. Hierbij moet worden beseft dat dit, vanwege de beperkte hulpmiddelen die de bewoners toen hadden, alleen met grote moeite kon worden gerealiseerd. Enkele oude ontginningen zijn grotendeels door woningbouw en bosaanleg verdwenen of aan het zicht onttrokken. Toch is het unieke van het landschap in Maarn, dat sommige ontginningen nog gaaf in het landschap te herkennen zijn. Op dit cultuurhistorisch erfgoed moeten we dan ook zuinig zijn!

Reden genoeg voor de Cultuurhistorische Commissie van de Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk, de Gemeente Maarn en de VVV om tijdens de Open Monumentendag 2001 de aandacht te richten op de agrarische ontginningen rondom Maarn. Dankzij de financiële steun van het gemeentebestuur en de Rabobank Maarn was het mogelijk om de postertentoonstellingen te maken en dit boekje uit te geven. Zonder medewerking van een groot aantal vrijwilligers en sponsoren zou het niet mogelijk zijn geweest om deze dag te organiseren. Op deze plaats willen wij hen hartelijk danken voor hun bijdrage aan deze dag. Tevens spreken wij onze dank uit aan de eigenaren/gebruikers van de monumentale panden en terreinen voor hun bereidwilligheid deze open te stellen tijdens de Open Monumentendag.

Deze gids is voor u gemaakt als wegwijzer en herinnering. Allereerst treft u een plattegrond aan, waarop de route is weergegeven. Als leidraad voor uw ontdekkingstocht hebben de gebouwen en andere bezienswaardigheden een nummer gekregen. Door deze nummering kunt u zich gemakkelijk oriënteren en kunt u bij de gedetailleerde routebeschrijving uitgebreidere informatie opzoeken. Bovendien zijn in de opengestelde gebouwen tijdens de Open Monumentendag kleine tentoonstellingen ingericht die zeker de moeite waard zijn.

Wij wensen u een fijne dag toe. Ongetwijfeld is de tijd te kort om alles te zien en te lezen. Zet u uw verkenningstocht in dit mooie gebied van Maarn daarom op andere dagen voort!


Henk van den Beld
Voorzitter Cultuurhistorische Commissie
Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk


Marianne Burgman
Burgemeester Gemeente Maarn

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Routekaart:

[NB: Een klik op een geel nummertje op de kaart brengt u naar het betreffende hoofdstuk!]

Ga naar: Inhoud | Open Monumentendagen | Kaarten | Home


Beknopte geschiedenis van Maarn

Tijdens deze Open Monumentendag wordt een rondtocht gemaakt door verschillende ontginningen in de gemeente Maarn. Zo'n duizend jaar geleden zag het Maarnse landschap er geheel anders uit. Op de Heuvelrug lagen vooral uitgestrekte, woeste gronden, met name heidevelden. Hierop graasden de schapen van tien boerderijen die aan de voet van de Heuvelrug waren gelegen. Maar ook in het lager gelegen deel van de gemeente was de grond nog nauwelijks gecultiveerd. In de Gelderse Vallei lag het zogenaamde Westerwoud, een uitgestrekt moerasbos. Alleen op de wat hoger gelegen stukken in de Vallei, de zogenaamde dekzandruggen, verschenen enkele boerderijen. Er woonden dus vrijwel geen mensen in de streek. Tegenwoordig treffen we in het hoger gelegen buitengebied vooral uitgestrekte bossen aan en in de lager gelegen delen weide- en bouwland. Aan de voet van de Heuvelrug ligt het dorp Maarn.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


1. Inleiding
De grote veranderingen in het landschap zijn niet vanzelf tot stand gekomen, maar door noeste arbeid van generaties bewoners van deze streek. Zij hadden immers niet de machines waarover wij vandaag de dag de beschikking hebben. In de Gelderse Vallei en op de flanken van de Heuvelrug wilden de bewoners vee houden en gewassen op hun akkers verbouwen. Ze rooiden daartoe het oorspronkelijke bos dat in de Gelderse Vallei was gelegen. Om het gebied te ontwateren, werden met de schop greppels en sloten gegraven. De vrijkomende grond werd gebruikt om aarden wallen op te werpen, waarop bomen en struiken werden ingeplant. Deze houtwallen vormden een afscheiding voor het vee. Soms zaten in de grond nog boomstronken of stenen. Deze moesten eerst worden verwijderd, voordat de grond met ossen of paarden kon worden geploegd.

Niet alle woeste gronden waren even geschikt om in cultuur te worden gebracht. De eerste boeren zullen zijn begonnen met de beste gronden die gelegen waren op de overgang van Heuvelrug naar Gelderse Vallei. Pas later werden de hoger en lager gelegen delen aangepakt. In de loop van de tijd veranderden de inzichten in de wijze waarop een ontginning moest worden uitgevoerd en ook de technische hulpmiddelen maakten een ontwikkeling door. Tijdens deze Open Monumentendag staan de agrarische ontginningen in Maarn centraal. Zij onderscheiden zich van elkaar door het tijdstip van de aanleg (ouderdom) en het verkavelingpatroon (blokvormig, strookvormig, etc.). Voor een goed begrip van wat u onderweg kunt zien in het landschap, is het noodzakelijk om enige kennis te hebben van de ontwikkelingsgeschiedenis van Maarn. Vandaar dat dit boekje begint met een beknopte beschrijving daarvan.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur II. De vorming van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse
Vallei.

2. De ijstijd en de eerste bewoners
Maarn ligt op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei. De Heuvelrug heeft zich 200.000 jaar geleden gevormd, toen vanuit het noorden een enorme ijskap Nederland bereikte. Het is het begin van de voorlaatste ijstijd, het Saalien genoemd, die tot ongeveer 120.000 jaar geleden aanhield. Het reusachtige gewicht van het voortkruipende ijs stuwde de bevroren bodem voor zich uit. IJstongen zochten hun weg door natuurlijke laagtes in het landschap. Eén ijstong vond zijn weg in het oude stroomdal van de Maas, op de plaats van de huidige Gelderse Vallei. Deze ijstong stuwde het zand en de grindlagen tot grote hoogte op. Daar waar de ijslob tot stilstand kwam, bleef het opgestuwde materiaal liggen. Op deze wijze vormde de ijslob aan de ene zijde de Utrechtse Heuvelrug en aan de andere zijde de Veluwe. De Gelderse Vallei werd door de ijslob dieper uitgesleten.

Na de komst van het ijs in Nederland kondigde zich een warmere periode aan: het Eemien. Maar 70.000 jaar geleden werd het opnieuw kouder en kondigde zich de laatste ijstijd aan, het Weichselien. Deze duurde tot 10.000 jaar geleden. Het ijs heeft Nederland in deze laatste koude periode niet bereikt. Nederland kende toen een droog toendraklimaat. Winden uit het noordwesten joegen over de nauwelijks begroeide vlakten en de droge rivier- en beekbeddingen. Grote hoeveelheden zand, stof en sneeuw werden door de winden meegevoerd en elders in dikke lagen afgezet. Door het stuivende zand werden kleine hoogteverschillen toegedekt. Als met een deken werd het landschap met zand bedekt. De zanden, die men in grote delen van Nederland aantreft, worden daarom ook wel dekzanden genoemd.

Het einde van de laatste ijstijd had verstrekkende gevolgen voor het landschap: de toendra's verdwenen om plaats te maken voor een landschap met veel bos en water. Ideaal voor de jacht op klein wild en de visvangst. Ongeveer 7000 jaar geleden gaf men het trekkende jagersbestaan op en ging men in vaste nederzettingen dichtbij de door hun aangelegde akkers wonen. De nederzettingen moeten gelegen hebben op gunstige plaatsen, zoals de hellingen van de Heuvelrug en de dekzandruggen in de Gelderse Vallei. Het zullen slechts kleine nederzettingen zijn geweest en de bevolkingsdichtheid was ongetwijfeld zeer laag. De toen gebruikelijke (zeer) extensieve landbouw werd gekenmerkt door grote oppervlaktes: één familie had veel ruimte nodig.

Over de nederzettingen van deze bewoners is vrijwel niets bekend, maar wel van hun begraafplaatsen, de zogenaamde grafheuvels. We treffen deze ook in de gemeente Maarn aan, met name op de flanken van de Heuvelrug. Een grafheuvel is een aarden heuvel, die ter nagedachtenis over het graf van een dode werd opgeworpen, zoals wij een gedenksteen op een graf zetten. In de meeste gevallen werd rond de voet van de heuvel een greppel gegraven. Soms werd de heuvel ook door houten palen omkranst. Vaak werden de heuvels lange tijd gebruikt voor het begraven van de doden (er werden steeds nieuwe doden bijgezet), waardoor de heuvel werd vergroot en opgehoogd.

Op sommige plaatsen in de gemeente Maarn zijn artefacten gevonden. Deze gereedschappen, gemaakt van vuursteen, zijn onder andere aangetroffen bij de Haar. De grafheuvels, urnenvelden en vondsten van artefacten geven aan dat de flank van de Heuvelrug en de dekzandrug bij De Haar al vele duizenden jaren door mensen bewoond zijn.

Tijdens de ijzertijd (700 v. Chr. - 0) is de landbouw verder geïntensiveerd. Er ontstonden grote complexen van vierkante akkertjes gescheiden door lage walletjes, zogenaamde celtic fields. De keien en de stobben op de akkers werden gebruikt om de walletjes op te hogen. De akkers werden bemest met humus. Ten gevolge van het intensievere grondgebruik nam de druk op het bos toe, waardoor deze meer en meer plaats moest maken voor heide.

Rond het begin van de jaartelling kwam een belangrijk deel van Nederland binnen de invloedssfeer van het Romeinse Rijk te liggen. Maarn lag echter net ten noorden van de grens en veel weten we dan ook niet af van de bewoners in die periode. Na de val van het Romeinse Rijk kwam geheel Nederland geleidelijk onder invloed van de Frankische koningen. Hun rijk kreeg zijn grootste uitbreidingen in de tijd van Karel de Grote (ca. 800 n. Chr.). Vanaf die tijd zijn er geschreven bronnen over de streek bekend. Hierdoor weten we onder andere dat de noordoostelijke flank van Heuvelrug, waarop Maarn ligt, oorspronkelijk veel dunner bevolkt was dan de zuidwestelijke flank. De noordoostelijke zijde ligt meer aan de schaduwzijde van de Heuvelrug en is daarom minder geschikt voor de landbouw dan de zuidwestelijke zijde. Toch waren er aan de noordoostelijke zijde al in de vroege middeleeuwen nederzettingen, zoals Leusden en de buurtschappen bij Rhenen. In het daartussen gelegen gebied kwamen nog enkele nederzettingen tot ontwikkeling, waaronder Maarn, Maarsbergen en Ginkel, hoewel deze nederzettingen pas enkele eeuwen later in geschreven bronnen worden vermeld.

Figuur IV. In de gemeente Maarn waren aan het begin van
de twintigste eeuw nog tientallen schaapskooien aanwezig.
Op dit moment is er nog maar één over, bij boerderij De
Meent in Maarsbergen. Het is een rijksmonument maar de
kooi verkeert op dit moment in een deplorabele onder-
houdstoestand. Er zijn plannen om de schaapskooi in oude
glorie te herstellen.

De terreingesteldheid van de Utrechtse Heuvelrug bood in die tijd slechts beperkte mogelijkheden tot het aanleggen van bouwlanden, te weten in een smalle zone middelhoge gronden langs de flanken van de Heuvelrug. In deze zone lagen in de Karolingische tijd (750-900 n. Chr.) dan ook kleine agrarische nederzettingen. Het agrarische systeem was gebaseerd op een gemengde bedrijfsvoering, waarbij na het jaar 1000 een sterker accent op de akkerbouw kwam te liggen. De akkercomplexen, waar de akkers van verschillende boeren bijeen lagen, worden in Utrecht "engen" genoemd. Elders is de benaming "es" of "enk". Engen komen vooral voor in een langgerekte strook tussen Zeist en Rhenen (de zuidwest-flank) en slechts op enkele plaatsen langs de noordoostflank (o.a. bij Maarn en Maarsbergen). De engen werden regelmatig bemest met schapenmest. Deze werd verkregen door de schapen overdag op de heide te laten lopen en 's avonds op te sluiten in schaapskooien. Om zoveel mogelijk mest te verkrijgen en om de schapen op een droge strooisel laag te laten staan, werden (heide-)plaggen in de schaapskooi gebracht. Door de eeuwenlange bemesting werden de engen opgehoogd.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur V. De ligging van de ontginningsblokken, zoals deze bestonden
in het midden van de achttiende eeuw. De oudste blokken zijn de Eng en
de Haar (beide uit de elfde eeuw of ouder). Waarschijnlijk iets minder
oud is de Meent (twaalfde eeuw). Van recentere datum zijn de Birk (ze-
ventiende eeuw) en het Veen (achttiende eeuw).

3. De oudste ontginningen: de Eng en de Haar

De oudste ontginningen in Maarn zijn de Maarnse eng en de Haar. De Eng is gelegen op de flank van de Heuvelrug en dateert in ieder geval uit de elfde eeuw. Mogelijk is de Eng nog ouder, omdat Maarn in het jaar 1028 pas voor het eerst wordt genoemd (als Mandron). Op de oostzijde van de Eng lag een tiental boerderijen op de acht meter hoogtelijn (boven NAP), langs de doorgaande weg in de richting van (Oud-)Leusden en Amersfoort. De bijbehorende hoevestroken lagen in zuid-westelijke richting tegen de helling van de Heuvelrug.

De Maarnse eng moet het resultaat zijn geweest van een systematisch opgezette ontginning. Van oudsher had de Bisschop van Utrecht in Maarn een overheersende invloed en mogelijk heeft deze een rol gespeeld bij de opzet van de ontginning. Een belangrijk deel van de bisschoppelijke rechten is in de late middeleeuwen overgegaan naar het Domkapittel te Utrecht. Zo had het kapittel het recht om in geheel Maarn tienden te heffen. Dit betekende dat boeren één tiende van de opbrengst van hun veldgewassen (meestal rogge en boekweit) aan het kapittel kwijt waren; oorspronkelijk werd de tiend in natura geheven, maar later werd deze in de vorm van geld betaald. Ook had het kapittel tot het midden van de zeventiende eeuw een groot deel van Maarn in eigendom.

    

Figuur VI. De achtergevel van het in 1993 gesloopte Aarendal (links). In de boerderij bevond zich een klein keldertje met daar-
boven een slaapzoldertje (rechts).

Figuur VIb. De voorgevel van Aarendal.

Op de eng lag het bouwland van de hele nederzetting bij elkaar. Het belangrijkste kenmerk van de eng was het ontbreken van een omheining rond de akkers van de deelnemende boeren. Het gebruik van de eng was aan regels gebonden. De boeren op een eng begonnen gelijktijdig met zaaien en oogsten, zodat de eng na de oogst in gebruik genomen kon worden als tijdelijke weidegrond voor het vee. Ook waren zij verplicht om op bepaalde delen van de eng dezelfde gewassen te verbouwen.

De bouwlanden die eertijds bij de Maarnse eng behoorden, zijn in de loop der tijden vrijwel allemaal verdwenen onder het dorp Maarn of bebost. Van de boerenerven op de eng is eveneens weinig óver. In 1993 werd in de dorpskern op de hoek van de Hertenlaan en de Kapelweg nog het boerderijtje Aarendal gesloopt. De Stichting" Aarendal" heeft geprobeerd het boerderijtje met weide als één van de laatste stukjes oud-Maarn te bewaren, maar tevergeefs. Het moest plaatsmaken voor nieuwe woningen. Dit was zeer spijtig, omdat de keuterboerderij Aarendal de (armoedige) geschiedenis van Maarn in één oogopslag liet zien. Nu is alleen nog de Hoekenkamp op de Maarnse eng over.

Figuur VII. De kampontginningen bij de Haar vallen onmiddellijk in het
landschap op. Zij vormen een langgerekte strook blokvormige percelen.
De drie oude erven van de voormalige boerderijen De Haar (a), Eijkelen-
burg (b) en Mandersloot (c) die in deze ontginning liggen, zijn op een
luchtfoto goed zichtbaar.

Ten oosten van de Maarnse eng liggen de kampontginningen bij de Haar. De kampen ontstonden op een dekzandrug in de Gelderse Vallei en dateren mogelijk al uit de elfde eeuw. Het landschap was hier niet geschikt voor de vorming van engen. Daarom werden de ontginningen in kampen uitgevoerd. Dit waren verspreid liggende akkers die aanvankelijk vaak door brede houtranden van elkaar werden gescheiden. In later tijd zijn deze houtranden meestal verdwenen, waardoor de kampen aan elkaar konden groeien. In tegenstelling tot de meer systematische strokenverkaveling op de engen ontstonden op deze manier percelen in onregelmatige blokken. De kampontginningen bij de Haar vormen een langgerekte strook blokvormige percelen langs de westzijde van de Heijgraaff. In deze kampontginning liggen onder andere de eeuwenoude erven van de voormalige boerderijen De Haar, Eijkelenburg en Mandersloot. De kampen zijn zeer gaaf gebleven: zo zijn de greppels en wallen rondom alle percelen nog aanwezig.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


4. De gemene gronden
Naast de bouwlanden op de Maarnse eng en bij de Haar waren er nog lange tijd "gemene" gronden, dat wil zeggen niet verdeelde en veelal ongecultiveerde gronden die collectief door de boeren werden gebruikt. Hier werden onder andere schapen geweid, strooisel gemaaid en turf gestoken. Over deze gronden liepen schapen- en koeiendriften om het vee van de boerderij naar de weide- of heidegronden te brengen en weer terug. Ook zullen er kerkenpaden richting Doorn en Wouden berg zijn geweest. Maarn had namelijk zelf geen kerkgebouwen de bewoners liepen over de heide naar Woudenberg en Doorn.
De gemeenschappelijke grond behoorde bij de erven op de Maarnse eng en de Haar. Oorspronkelijk noemde men het geheel van erven en onverdeelde gronden ‘de Maarnse mark’, later bedoelde men met de Maarnse mark alleen de onverdeelde gronden. Het woord 'mark' betekent niets anders dan begrensd gebied. De boeren op de oudste erven in het gebied hadden recht op het gebruik van de gemene gronden. Zij waren markgenoot. Nieuwkomers in het gebied konden geen markgenoot meer worden.

De gemene gronden hebben tot in de zeventiende eeuw bestaan. Zij waren het eigendom van het Domkapittel te Utrecht. Vermoedelijk als gevolg van de Reformatie werden aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog de tot de Maarnse mark behorende bezittingen door het kapittel van de hand gedaan. Dit gebeurde op 29 mei 1644, waarbij de gronden door loting onder de markgenoten werden verdeeld. Bovendien verleende het kapittel in 1646 aan meérdere personen vrijheid van tiendbetaling om de ontginning van woeste gronden te bevorderen. De gemene gronden werden vervolgens ontgonnen. Eerst was de Meent aan de beurt, vervolgens de Birk en tot slot het Veen.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


4.1 De Meent
De naam Meent betekent gemeenschappelijke weidegrond. De Meent ligt ten oosten van de Heijgraaff en is het oorspronkelijke weidegebied van de boerderijen die op de Maarnse eng lagen. Op de eng lag het bouwland waarop rogge en boekweit werd geteeld. De gemengde bedrijven hadden echter ook voedsel nodig voor het rundvee dat aanwezig was. De Meent, lager gelegen in de Gelderse Vallei, was voor de voederwinning van het rundvee zeer geschikt (weide- en hooiland). In de middeleeuwen, toen de afwatering in het gebied nog een groot probleem was, stond het gebied 's winters en in het voorjaar vaak onder water. Als bouwland was het ongeschikt, omdat de boeren slechts een beperkte periode van het jaar gebruik konden maken van de Meent.
Om de Meent geschikt te maken als weidegebied, heeft men deze eerst omdijkt, om het toestromen van water uit de Gelderse Vallei te voorkomen. Waarschijnlijk heeft dit in de eerste helft van de twaalfde eeuw plaatsgevonden. Uit diezelfde tijd dateert namelijk de Heijgraaff. Dit is een sloot/afvoerkanaaltje waardoor het water dat van de noordelijke helling van de Heuvelrug afstroomt en het kwelwater, worden afgevoerd. Via de Heijgraaff was het mogelijk om de Meent te ontwateren. In het midden van de Meent groef men daartoe loodrecht op de Heijgraaff een ontginningssloot. Haaks op deze sloot groef men een groot aantal dwarssloten waarlangs men grote aantallen knotelzen plantte. Dit ontginningspatroon is tot de dag van vandaag goed zichtbaar gebleven. De Meentgronden liggen ter weerszijden van de Meent- of Koeisteeg, tegenwoordig voor een deel Ted Visserweg genoemd. De naam Koeisteeg verwijst ernaar dat er in de Meent vooral koeien werden geweid. Schapen liepen meestal op de drogere hellingen van de Heuvelrug.
In de Meent werden na de verdeling van de gronden in de zeventiende eeuw, nieuwe boerderijen gebouwd. De eerste boerderij in het gebied werd omstreeks 1780 gesticht, genaamd de Maarnse Meent.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur IX. De Birck of Birckestein was de oudste boerderij
(of beter gezegd het oudste erf) in de Birk-ontginning. Het
gebouw op de foto dateerde uit 1882. Het is aan het begin
van de negentiger jaren van de vorige eeuw vervangen door
een modern landhuis.

4.2 De Birk
De naam Birk (ook wel geschreven als Birkt, Birck en Birckt) betekent berken- en heidegrond. Deze ontginning ligt tussen de Laan van Laag-Kanje en de huidige Ted Visserweg (Vinkenbuurt). De boeren van de Mark gebruikten oorspronkelijk dit gebied om hun schapen te weiden, plaggen te steken en hout te verzamelen. Na de verdeling van de gronden in de zeventiende eeuw werd de Birk een belangrijk stuk cultuurgrond. Er werd een strookvormige verkaveling in het gebied aangebracht. In 1751 zijn er in de ontginning vijf boerderijen, met de namen de Birck, Hoog- en Laag-Kanje, Berkenzand en het Misverstand. Van deze boerderijen is de Birck, ook wel Birckestein genoemd, het oudst. Deze boerderij is direct na de verdeling van de Birkgronden in 1644 ontstaan. In 1882 werd de boerderij geheel vernieuwd. In de jaren negentig van de vorige eeuw is de Birck in opdracht van Landgoed Anderstein gesloopt en vervangen door een modern landhuis. De andere genoemde boerderijen zijn vermoedelijk in de eerste helft van de achttiende eeuw ontstaan. Alleen Berkenzand heeft zijn oorspronkelijke karakter tot nog toe behouden.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur X. Het Veen is grotendeels onder de woonwijk De
Driesprong verdwenen. Hierbij werd de oorspronkelijke
bebouwing gesloopt. Zo ook de boerderij van de familie
Breeschoten. Eén van de nieuwe straten in de nieuwbouw-
wijk is naar deze familie genoemd (Breeschotenlaan).

4.3 Het Veen
De ontginning het Veen (De Venen) lag ten zuiden van de Birk, tussen de Schapendrift, de Buurtsteeg en de grens met Maarsbergen. De Veenontginning is tussen 1700 en 1850 ter hand genomen. Deze ontginning is, zoals de naam al zegt, gelegen in een laag en venig gebied. Er is sprake van een sterke kwel en wateraanvoer vanaf de Heuvelrug. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom dit gebied laat in cultuur is gebracht. Bewoning was lange tijd niet mogelijk. De eerste bewoners vestigden zich aan de randen, pas na 1840 zijn ook de lagere delen van het Veen bewoond geraakt. Daarna moesten sommige bewoners weer vertrekken door de aanleg van de spoorlijn en later de snelweg. Een groot deel van de oorspronkelijke verkavelingen en bebou wing is verdwenen met de bouw van de woonwijk De Driesprong. Van de oorspronkelijke ontginning resteert nog een strook ten oosten van de Planetenbaan. Deze strook loopt door ten zuiden van de snelweg A-12. Dit restant is uit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt bijzonder waardevol. Ten zuiden van de A-12 ligt in de ontginning een cultuurhistorisch waardevol boerderijtje dat op het concept van de gemeentelijke monumentenlijst staat.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Routebeschrijving

De route is met name geschikt voor fietsers en voert langs allerlei gebouwde en ongebouwde monumenten in Maarn, zoals de boerderijtjes Berkenzand en De Hoekenkamp, het gebied van de Koeheuvels en de Peppelenk, Huize Landeck, boerderij Eijkelenburg en het gebied van de Meent. Tijdens de Open Monumentendag zal de route bewegwijzerd zijn. Bij vrijwel al deze objecten is een kleine postertentoonstelling ingericht. Tevens komt men tijdens de fietstocht langs een aantal niet opengestelde monumenten, dat echter ook alleen van de buitenkant meer dan de moeite waard is. De route heeft een lengte van ongeveer 8 km. De gehele fietstocht (incl. rondkijken) bedraagt ca. 2,5 uur.
Voor degenen die iets meer tijd hebben, kan de fietstocht worden uitgebreid met korte wandelingen bij de Hoekenkamp (Koeheuvels en Peppelenk), Huize Landeck en bij de Maarnse Meent. En nu gaan we op pad!

De route start bij het dorpshuis de Twee Marken, Trompplein, waar u uw auto kunt parkeren en koffie of thee kunt drinken.

Figuur 1. Het logo van het dorpshuis
verwijst naar de twee marken, Mersberch
en Manderen, waaruit de gemeente Maarn
is ontstaan.

1. Dorpshuis De Twee Marken
Het Dorpshuis in Maarn is in 1974/75 gebouwd. Sinds 1990, na een grondige verbouwing en uitbreiding, wordt het Sociaal-Cultureel Centrum "De Twee Marken" genoemd. De naam duidt op de twee marken, Manderen (Maarn) en Mersberch (Maarsbergen), waaruit de gemeente Maarn is ontstaan. Bij een mark hebben de bewoners van de streek speciale gebruiksrechten op met name de bos-, heide- en weidegronden voor de uitoefening van bosbouw, veeteelt en akkerbouw. Oorspronkelijk bezat ieder boerenbedrijf het recht om volgens een bepaalde verdeelsleutel vee te weiden, hooi te winnen, plaggen en turf te steken en hout te verzamelen op de zogenaamde gemene gronden. Dit was zowel in Maarn en Maarsbergen het geval. De oude naam voor Maarn, Mandron (Latijn) of Manderen verwijst zelf ook rechtstreeks naar de mark. Manderen betekent namelijk 'gemeenschappelijk gebruikte landerijen'. Mersberch staat voor 'moeras bij de berg'.

Tijdens de Open Monumentendag is in de Twee Marken een postertentoonstelling te zien over de ontstaansgeschiedenis van het dorp. Tevens zijn er posters met oude foto's, beschikbaar gesteld door Willemien Blaauwendraad, over het Maarn van vroeger.

U verlaat de hoofdingang van de Twee Marken en slaat linksaf de Tromplaan in. Vervolgens gaat u de eerste weg rechtsaf (Kortenaerlaan), de tweede weg linksaf (Ted Visserweg) en vervolgens rechtsaf de Vinkenbuurtweg op. U passeert het boerderijtje Klein Berkenzand. U gaat rechtsaf de onverharde Droststeeg op. Aan uw linkerhand ligt de boerderij (Groot) Berkenzand.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur 2a. Boerderij Berkenzand in de agrarische ontginning de Birk.
De twee leilinden voor de boerderij dienen in de zomer als zonwering.

2. Boerderij Berkenzand
Over de naam van deze Maarnse boerderij bestaat wat onenigheid, soms wordt het ook wel aangeduid als Berkenzaad. Berkenzand is echter het meest waarschijnlijk. Deze boerderij is voor 1751 ontstaan in de Birk-ontginning. Het gebied bestond daarvoor uit heidegrond met berkenopslag. De naam van de boerderij verwijst hier nog naar. Aan Berkenzand is in de loop der jaren veel verbouwd, maar mogelijk dateren onderdelen van de boerderij nog uit de achttiende eeuw. Voor de Tweede Wereldoorlog werd door de toenmalige eigenaar het besluit genomen om Berkenzand te slopen. Toen hij bij de pachters kwam kijken, vond hij de schouw in de woonkamer echter zo mooi, dat de sloop niet doorging. Berkenzand werd weer opgeknapt en kon gelukkig weer jaren mee. De boerderij heeft een wit gepleisterde voorgevel met een symmetrische vensterverdeling. De vensters hebben luiken. Berkenzand is een typische hallehuisboerderij met een driebeukige opzet.

De hoge middenbeuk (de halle) deed aan de achterzijde van het huis dienst als dorsvloer en de oogstopslag vond plaats op de zolder boven de gebintbalken. De oogst kon naar binnen worden gebracht door de grote deeldeuren of door het oogstluik daarboven. Ook kon het hooi en koren opgeborgen worden in een kapberg achter de boerderij. In de zijbeuken aan weerszijden van de deel bevonden zich de stallen, waar het vee met de koppen naar de deel stond toegekeerd. Tot het begin van deze eeuw bevonden zich in Berkenzand potstallen. De potstallen waren noodzakelijk voor het verzamelen van zoveel mogelijk mest. Gedurende de staltijd bleef de mest. die regelmatig werd afgedekt met een laag plaggen, in de stal liggen. Pas in het voorjaar, als de koeien weer naar buiten gingen, werd de potstal leeggeschept en werd de mest, vermengd met plaggen, over de akker verspreid.

Figuur 2c. Voor de Tweede Wereldoorlog
was de achterzijde van de Berkenzand nog
van hout. Bovendien had de boerderij een
rieten dak. Het steeds verder "verstenen"
van Berkenzand is illustratief voor de
ontwikkeling van de boerderijtjes van
Maarn. De economische vooruitgang in met
name de twintigste eeuw leidde tot een
verbetering van de woon- en leefomstan-
digheden van mens en dier in de boerderij.

Dit was een zwaar karwei. In het begin van de twintigste eeuw werden de grupstallen gebouwd. Mest en gier vielen in de grup en werden door de boer regelmatig verwijderd uit de stal. De grupstallen van Berkenzand zijn nog intact. De driebeukige opzet van de hallehuisboerderij is ook in het voorste woongedeelte nog terug te vinden. De middenbeuk was vroeger de dagelijkse woonruimte met stookplaats en schouw. In de zijbeuken lagen de berg-, slaap- (de bedsteden) en werkruimtes. Ook bevond zich in een zijbeuk de melkkelder en opkamer. Tot het begin van de twintigste eeuw maakten de Maarnse boerinnen zelf boter door de afgeschepte room met de hand te karnen. Daarna werd de melk opgehaald in bussen en vervoerd naar zuivelfabrieken in de omgeving. Tijdens de Open Monumentendag is in Berkenzand een postertentoonstelling over het gemengde bedrijf (akkerbouw en veeteelt), zoals dat tot ongeveer de Tweede Wereldoorlog in Maarn heeft bestaan.

U gaat terug naar de Vinkenbuurtweg en steekt deze recht over. Het smalle pad waar u op fietst is (nog steeds) de Droststeeg. Oorspronkelijk was hij net zo breed als bij boerderij Berkenzand, maar de gemeente Maarn heeft een gedeelte van de steeg verkocht aan de eigenaren van de aanliggende woningen.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur 3. De naam Droststeeg verwijst naar de drost van
Maartensdijk die in de zeventiende eeuw een versterkt
stenen huis in bezit had, Eijckelenborgh, genaamd.

3. Droststeeg
Van de Droststeeg wordt beweerd dat deze lange tijd in gebruik is geweest als kerken pad. Omdat in Maarn en Maarsbergen geen kerken waren, maakten de gelovigen de gang naar de kerk in een ander dorp. De hele gemeente behoorde kerkelijk tot Doorn, maar de inwoners gingen zowel in Doorn als Woudenberg naar de kerk. Er liepen derhalve verschillende (voet)paden vanuit de beide dorpen richting Woudenberg en Doorn. Toen in 1884 de Hervormde Kerk in Maarsbergen in gebruik werd genomen en in 1923 de Kapel in Maarn, raakten de kerken paden hun oorspronkelijke functie kwijt. Of de Droststeeg ook daadwerkelijk als kerken pad heeft gefunctioneerd, is onduidelijk. De naam van de steeg verwijst naar David Godin, in de tweede helft van de zeventiende eeuw drost van Maartensdijk en eigenaar van grote stukken grond en een aantal boerderijen in Maarn. Deze drost, een rechterlijk ambtenaar op het platteland, bezat een fraai buiten in Maarn, Eijckelenborgh geheten. Het is in de achttiende eeuw verdwenen, maar de naam leeft nog nu nog voort in de boerderij Eijkelenburg, welke later tijdens de fietstocht wordt aangedaan.

U gaat linksaf de Boslaan in en vervolgens rechtsaf de Ted Visserweg op. Aan uw rechterhand ligt het gebied De Koeheuvels. Er staat een informatiebord van de gemeente Maarn over het beheer van het gebied.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


4. De Koeheuvels
De Ted Visserweg heette vroeger de Koeisteeg. Over deze steeg werden de koeien van de Maarnse boerderijen op de eng naar de weidegebieden in de Meent gebracht. Men kwam met de koeien dan langs stuifzand heuvels die men op den duur de Koeheuvels is gaan noemen. Het gebied van de Koeheuvels is zeer karakteristiek voor het dorp Maarn. Het terrein van ongeveer 11 hectare groot is een restant van een groter stuifzand- en heidegebied dat vroeger op deze plaats aanwezig was. Het dankt zijn ontstaan aan de schapencultuur die tot een eeuw geleden in Maarn heel belangrijk was. Om de vruchtbaarheid van het bouwland op peil te houden werd namelijk vooral schapen mest gebruikt. De schapen graasden overdag op de uitgestrekte heidevelden en verbleven 's nachts in de schaapskooien. De mest, vermengd met een grote hoeveelheid heideplaggen, werd op de akkers gebracht. Zo kregen de bomen geen kans en bleef de heide in stand.

Figuur 4. De zandverstuivingen van de Koeheuvels.

De Koeheuvels laten eigenlijk zien, wat er gebeurt als de grond te intensief wordt gebruikt. Boeren lieten soms op de gezamenlijke gronden teveel schapen lopen of staken teveel plaggen. De vegetatie verdween en er ontstond een zandverstuiving. Dit is op veel plaatsen op de Utrechtse Heuvelrug gebeurd. De boeren hadden veel last van de zandverstuivingen die ze zelf hadden veroorzaakt. Het stuivende zand kon namelijk hun verderop gelegen akkers bedekken, waardoor de planten verstikten. Toen de schapencultuur door de introductie van de kunstmest verdween, werd de vegetatie niet meer kortgehouden. Hierdoor raakte de heide overwoekerd. De gemeente Maarn heeft recent besloten de Koeheuvels in hun oude staat terug te brengen. Door vrijwilligers (onder andere schoolkinderen) zijn bomen en struiken verwijderd. Ook is de humuslaag op sommige plaatsen verwijderd, waardoor er een bodem boven kwam die arm is aan voedingsstoffen. Hierdoor krijgen heide en verschillende diersoorten weer een kans. Zo komt in deze omgeving de hazelworm nog voor. Deze kleine, gladde slang is in feite een pootloze hagedis en een typische bewoner van heide en bosranden. De hazelworm is volstrekt ongevaarlijk. De Koeheuvels zien er vandaag de dag weer uit zoals honderd jaar geleden. Op het iets verder gelegen Landgoed Peppelenk staan prachtige, beschermde jeneverbesstruiken. De jeneverbes heeft het moeilijk in Nederland, omdat de struik zich niet meer natuurlijk kan verjongen. Waarschijnlijk is het vrijwel uitsterven van de korhoenders hiervan de oorzaak (voorkieming van het zaad in de maag van deze vogel).

Tijdens de Open Monumentendag is een korte wandeltocht uitgezet over de Koeheuvels.

U vervolgt uw weg en gaat rechtsaf de Krönerweg op. Wanneer de Krönerweg (na 250 m) een bocht naar links maakt, gaat u rechtsaf het onverharde pad van de Hoekenkamp op. Aan het einde van deze buurtschap ligt een klein boerderijtje, eveneens De Hoekenkamp genaamd.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur 5a. De Hoekenkamp geeft de sfeer van het agrari-
sche verleden van Maarn nog goed weer.

5. De Hoekenkamp
Tegenwoordig wordt dit boerderijtje De Hoekenkamp genoemd, maar voor de Tweede Wereldoorlog noemden de bewoners van de buurtschap De Hoeken kamp het boerderijtje Zeldenrust. De Hoekenkamp is het enige boerderijtje van de Maarnse eng dat behouden is. Dit is een belangrijke reden waarom het op de concept-gemeentelijke monumentenlijst is geplaatst. Met name de combinatie van het boerderijtje met het aangelegen land is bijzonder waardevol. Daarom zou er naar gestreefd moeten worden om dit geheel van boerderij en akker te beschermen en te bewaren.
Het pand is meerdere malen verbouwd (met name de achter- en zijgevel(s)), waardoor het moeilijk is te dateren. Waarschijnlijk is het aan het begin van de negentiende eeuw gebouwd op de huidige plek. Het kleine, witgepleisterde boerderijtje is zeer karakteristiek voor Maarn en omgeving. Het is een gemengd bedrijfje geweest. Dit betekent dat er naast vee (enkele koeien, varkens, een paard en wat kippen) ook akkerbouw plaatsvond.

Van oudsher werden er op de Maarnse zandgronden voornamelijk rogge en wat haver (voor de paarden) verbouwd. Omstreeks 1400 werd een nieuw gewas geïntroduceerd, dat een vooraanstaande plaats zou gaan innemen op de Heuvelrug: boekweit. Boekweit betekent eigenlijk beuk-tarwe. Het wordt zo genoemd vanwege de vorm van de vruchten die aan de plant groeien. Tot het einde van de negentiende eeuw bleef de boekweit een belangrijk bestanddeel van het voedsel voor de inwoners van Maarn (in pap en pannenkoeken). De boekweitteelt stimuleerde de boeren ook om een andere neventak te ontwikkelen: de bijenhouderij. Men hield bijen voor het verkrijgen van honing, omdat suiker als zoetstof nog onbekend was. Van de bijenwas werden kaarsen gemaakt. De opbrengst van boekweit hangt af van de mate waarin bijen voor bestuiving weten te zorgen. Door de opkomst van de kunstmest aan het einde van de negentiende eeuw namen andere gewassen snel de plaats van boekweit in. Na de Tweede Wereldoorlog verdween het gemengde karakter van de Maarnse boerderijen en schakelde men geheel over op veeteelt.

Figuur 5c. Begin juni bloeien de koren-
bloemen tussen de rogge.

De akker bij De Hoekenkamp is echter nog steeds bouwland. De eigenaar heeft zich samen met de Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk ingezet voor de voortzetting van het oorspronkelijke gebruik van de akker. Jaarlijks wordt rogge gezaaid, welke in juli wordt geoogst. De akker heeft naast een cultuurhistorische waarde, een hoge botanische waarde, omdat er geen bestrijdingsmiddelen worden toegepast. Zo kan men ieder jaar genieten van de vele korenbloemen tussen de rogge, maar er groeien ook zeldzame planten als korensla en leeuwentand.
Tijdens de Open Monumentendag zal een imker uitleg geven over de bijenhouderij. Ook is er een tentoonstelling van oude landbouwwerktuigen en zal er bovendien een demonstratie worden gegeven, hoe in vroeger dagen de akkers met paarden werden geploegd.

U verlaat de Hoekenkamp en vervolgt uw weg richting de Amersfoortseweg. U gaat rechtsaf de parallelweg naast de Amersfoortseweg op. Vervolgens gaat u na 250 meter rechtsaf de Laan van Laag Kanje op. De villa aan uw linkerhand is Zonne Kanje, de woning F. E. Everwijn Lange, burgemeester van Maarn van 1924 tot 1957. De Laan van Laag Kanje volgt u helemaal over het recreatiepark. Bij de T-splitsing gaat u linksaf richting de hoofduitgang. U fietst langs de receptie. Aan uw rechterhand ligt de dienstwoning van Huize Landeck. Daarnaast, op de hoek van de Dwarsweg, ligt Huize Landeck. Het huis is van de buitenzijde te bezichtigen.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur 6a. Huize Landeck aan de Laan van Laag Kanje in
de twintiger jaren van de vorige eeuw.

6. Huize Landeck
Huize Landeck is samen met de voormalige dienstwoning (laan van laag Kanje 4) aangewezen als Rijksmonument. Het landhuis werd in 1922 gebouwd in opdracht van baron Willem Hendrik Taets van Amerongen. De naam verwijst naar een plaatsje in Silezië, toen nog Duits, vlakbij de Tsjechische grens. Tegenwoordig heet dit plaatsje Ladek en ligt het in Polen. Uit deze plaats was de moeder van de opdrachtgever afkomstig, mevrouw W. J. E. F. von Knobelsdorff.
Landeck is vrijwel geheel opgetrokken met hout afkomstig uit een fabriek in Silezië. Door de geldontwaarding in Duitsland was het materiaal in die tijd goedkoop. De onderkeldering en de stenen fundering werden gemaakt door een aannemer uit Woudenberg. Het hout voor het huis werd kant en klaar aangevoerd per trein en is vermoedelijk met paard en wagen naar de laan van laag Kanje gebracht. Er schijnen 30 tot 40 van dit soort huizen in Nederland te zijn gebouwd. Het huis is in 1935 eigendom geworden van baron R. F. C. Bentinck en zijn echtgenote E. H. Bentinck van Eeghen. Hun zoon, baron O. E. H. Bentinck, is de huidige eigenaar en bewoner.

Het landhuis heeft een rechthoekige plattegrond, bestaat uit twee bouwlagen met een zoldering onder twee ver overstekende, elkaar kruisende zadeldaken. Het heeft een rood pannendak; de pannen zijn van het type verbeterd Hollands. De gevels bestaan uit witgeverfde, brede, horizontale rabatdelen boven een bakstenen plint. In de topgevels een uitkragend topgevelbeschot van groen geschilderde, verticale planken. De toegangsdeur bevindt zich in de enigszins asymmetrisch ingedeelde voorgevel en wordt bereikt via een stenen trap in een grote rechthoekig portiek annex balkon met aan de voorzijde een tweetal vrijstaande houten, Toscaanse zuilen op stenen voet, die een boogvormig gesloten luifel dragen. Tegen de linkergevel staat een serre met afgeschuinde zijden. De rechtergevel is in 1929 in opdracht van de familie Taets van Amerongen uitgebreid met een aanbouw onder een plat dak.

Figuur 6c. De beukenberceaus van Landeck.

De oorspronkelijke dienstwoning voor de huisknecht is een geheel vrijstaand, bakstenen woonhuis op L-vormige plattegrond en dateert net als Landeck uit het begin van de twintigste eeuw. Het voorhuis telt twee bouwlagen en een zoldering, het achterhuis anderhalve bouwlaag. Beide bouwdelen liggen onder ver overstekende zadeldaken op ongelijke voet- en nokhoogte die gedekt zijn met rode en grijze kruispannen. De gevels zijn opgetrokken uit baksteen boven een gepleisterde plint en worden verlevendigd door banden van gele en rode baksteen. De symmetrisch opgezette voorgevel heeft drie vensters met roeden bovenlichten en halve paneelluiken. Tegen de linkergevel van het achterhuis is over de volle lengte een serre onder lessenaarsdak aangebouwd. De tuin van Huize Landeck is aangelegd in een streng geometrische stijl.

De perken zijn helaas grotendeels verdwenen, waardoor de waarde nu met name ligt in de twee lange berceaus (met een lengte van ongeveer 50 meter) van afwisselend rode en groene beuken. Berceaus zijn beukenhagen die in een boogvorm het tuinpad overspannen. Ze zijn haaks op de gevel van het huis geplant.

Het is mogelijk om een korte rondwandeling over het landgoed te maken (ca. 1 km). Halverwege deze wandeling komt u langs een voormalige akker die door de huidige eigenaar van Landeck met veel verschillende soorten naaldbomen is ingeplant. Deze zijn inmiddels tot een respectabele omvang uitgegroeid.

U gaat rechtsaf de Dwarsweg op waarbij u door de strookvormige verkaveling van de Birk fietst. De Dwarsweg wordt zo genoemd, omdat hij dwars (loodrecht) op de ontginningsstructuur van de Birk ligt. Aan uw rechterhand lagen vroeger verscheidene kleine boerderijtjes. Deze zijn gesloopt en vervangen door moderne landhuizen. Na 1 kilometer gaat u linksaf naar de Haar en Eijkelenburg. Aan uw rechterhand ligt de Nieuwe Maarnse Beek.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Figuur 7a. Eijkelenburg op een kaart uit 1670. Duidelijk is de toren van
het versterkte huis (zie figuur 3) nog te zien. Volgens de kaart had Eijke-
lenburg aan het einde van de zeventiende eeuw een agrarische functie,
omdat er een schaapskooi en een hooiberg bij het huis staan afgebeeld.

7. Eijkelenburg
Eijkelenburg (nu camping), De Haar (nu manege) en het iets verderop gelegen Mandersloot zijn zeer oude erven in de Gelderse Vallei. Ze zijn gelegen op een dekzandrug en dateren mogelijk al uit de elfde eeuw. De erven zijn ontstaan uit kampontginningen die als een langgerekte strook blokvormige percelen langs de westzijde van de Heijgraaff liggen.
Eijkelenburg, op oude kaarten vaak ook Eijckelenborgh genaamd, is niet alleen een boerderij geweest, maar ook een statig kasteeltje, hetgeen ook uit tweede deel van de naam kan worden opgemaakt. Reeds in 1368 wordt het al genoemd onder een andere naam, het Schuerland, naar de toenmalige eigenaresse Ermgaert Ghisendochter van Schueren. Tot in de achttiende eeuw wordt de naam Tgoed ter Schueren op kaarten en in archiefstukken aangetroffen. Het is één van de oudste, versterkte (stenen) huizen uit de regio geweest. Dankzij een bewaard gebleven tekening van J. Stellingwerf (1724-1756) kan men zich voorstellen, hoe het gebouw eruit gezien heeft. Stellingwerf gebruikte veelal oudere afbeeldingen.

Ook bij de tekening van Tgoed ter Schueren moet dat het geval geweest zijn, want in de achttiende eeuw was het gebouw al verdwenen en vervangen door een boerderij. Het versterkte huis heeft bestaan uit een middenpartij van twee, en een linkeruitbouw van drie verdiepingen. Aan de rechterzijde was een toren. Een klein, stenen poortgebouwtje gaf toegang tot het geheel. De grachten rondom het huis werden gevoed door de Heijgraaff. Op een kaart van 1670 is nog wel de toren te onderscheiden, maar het huis was toen al vervangen door een boerderij.
De gebouwen zijn meerdere malen vervangen. De huidige opstallen dateren oorspronkelijk van het einde van de negentiende eeuw. In de twintigste eeuw werd Eijkelenburg een kampeerboerderij. De camping is inmiddels ongeveer zeven hectare groot en heeft voornamelijk staanplaatsen voor caravans.

Tijdens de Open Monumentendag is bij Eijkelenburg een postertentoonstelling te bezichtigen over het natuurontwikkelingsproject in de Meent. Ook is een kleine wandeling uitgezet langs de Meent.

U gaat rechtsaf het pad langs de Heijgraaff op richting de Meentsteeg. Aan uw linkerhand ligt de Maarnse Meent. Duidelijk is te zien, dat de camping hoger is gelegen (op een dekzandrug) dan de Meent. Op de Meentsteeg gaat u naar links. aan uw rechterhand ligt een natuurontwikkelingsproject van Landgoed Anderstein.

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


8. De Meent
De Maarnse Meent ligt ten oosten van de Heijgraaff en is het oorspronkelijke weidegebied van de buurtschap Mandron. De Meent is lager gelegen in de Gelderse Vallei en was daarom alleen geschikt als weide- en hooiland voor de boerderijen op de Maarnse eng. De Meent was gemeenschappelijk bezit tot ongeveer het midden van de zeventiende eeuw. Daarna werd het gebied, al gedeeltelijk in cultuur gebracht, verder ontgonnen en werden er boerderijen in gesticht. De Heijgraaff is één van de oudste, nog zichtbare ingrepen in het Maarnse landschap. Het afwateringskanaaltje is gegraven langs de steilrand van de Heuvelrug en dateert mogelijk al uit het begin van de twaalfde eeuw. Enkele jaren geleden is de Heijgraaff grotendeels in oude glorie hersteld en weer watervoerend gemaakt. Het herstel van de cultuurhistorische waarde van de Heijgraaft had tevens een sterke verhoging van de natuurwaarden tot gevolg.

Figuur 8. Het natuurontwikkelingsproject in de Maarnse
Meent.

Tegen het einde van de vorige eeuw is door Landgoed Anderstein een natuurontwikkelingsproject gestart in een gedeelte van de Meent. Het maaiveld van een perceel is verlaagd door de vruchtbare toplaag af te graven. Dit had twee effecten: verschraling en vernatting. Door kwel is er een constante aanvoer van schoon en vaak kalkrijk water, wat een voorwaarde is voor het herstel van een bijzondere plantengroei. Op deze wijze ontstaat er een ideale uitgangssituatie voor het zogenaamde blauwgrasland (onbemest hooigrasland). Hierin komen grassen (met name zegge-soorten) voor die een blauwe waas geven aan het grasland. Blauwgraslanden waren voor 1900 veel aanwezig in de lagere delen van de Gelderse Vallei, maar nu zijn zij uiterst zeldzaam geworden. Het nieuwe natuurgebied geeft aan hoe het gebied van de Meent er eeuwenlang, voor de verdeling van de markegronden, heeft uitgezien. Bij dit project is het herstel van natuurwaarden goed gecombineerd met de cultuurhistorische waarde van het gebied. Juist in Maarn is het behoud van de relatie van natuur- en cultuurhistorische waarden van essentieel belang, omdat deze bepalend is voor het fraaie landschap.

U gaat over de Meentsteeg terug richting Maarn. Vervolgens gaat u linksaf de (onverharde) Dwarsweg op. Aan uw linkerhand ligt een kampontginning van de Haar. Hier zijn diverse artefacten (bewerkte vuurstenen gereedschappen) gevonden, die aantonen dat dit gebied al duizenden jaren voor het begin van de jaartelling bewoond is geweest. Eén van de vondsten is gedaan door de hoofdopzichter van Landgoed Anderstein, de heer Van der Lee, bij het uitgraven van een fret uit een konijnenhol. Na 300 meter gaat u rechtsaf. Dit is de Schapendrift, een laan waarover de schapen vanaf de boerderijen naar de Maarnse berg werden gedreven. U gaat rechtdoor naar de Bakkersweg en vervolgens rechtsaf de Jacob van Wassenaerlaan in. Tenslotte gaat u linksaf de Tromplaan in. Aan uw linkerhand ligt na 300 meter het eindpunt/beginpunt van de route "De Twee Marken ".

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home


Bronnen

Gebruikte literatuur

Overige informatie
Er is niet veel literatuur over de geschiedenis van Maarn beschikbaar. De auteurs kregen van verschillende personen informatie aangeleverd, welke essentieel was voor de totstandkoming van dit boekje.
Behalve de overige leden van de Cultuurhistorische commissie (de heren H. van den Beld, J. W. G. Laporte, M. Pater en F. J. Somsen) willen zij op deze plaats met name bedanken:

Tot slot zijn de auteurs de heer A. J. Somsen zeer erkentelijk voor het maken van de routekaart en de overzichtskaart van de ligging van de ontginningsblokken.

Fotoverantwoording
De foto's en figuren zijn door de volgende personen en instanties ter beschikking gesteld:

Ga naar: Inhoud | Routekaart | Open Monumentendagen | Home

© Cultuurhistorische Commissie Maarn - Maarsbergen 2007