Tuinen van toen

Het voorjaar is weer in aantocht en dus gaan we binnenkort weer aandachtig ‘bodemstaren’ of er al iets boven de grond wil komen. En altijd weer is er de vreugde als het weer wil lukken, als de eerste krokus verschijnt, of de pinksterbloem of wanneer het kievitseitje zijn kop opsteekt.

Door de eeuwen heen is dit zo geweest; de verrassing van het voorjaar is sinds de Romeinse tijd in onze westerse wereld weinig veranderd. Ten tijde van die Romeinen werden buitenruimten aangelegd die de macht en het aanzien van de bewoners weerspiegelden. In het ontstaan van de tuin als zodanig speelde de geestelijkheid een belangrijke rol. Kloostertuin, kloosterhof, kasteeltuin en vervolgens de stadstuin ontwikkelden zich langzaam maar zeker dankzij de toenemende aandacht die kloosterlingen hadden voor planten en bomen. Men trachtte kruiden, groenten en bloemen te kweken uit inheemse zaden; er ontstond ruilhandel in zaden en van diverse (on)kruiden bleek de geneeskrachtige werking, die vaak door toeval aan het licht kwam.

Kloostertuin

De vroegste vorm van een gecultiveerde tuin was de kloosterhof; meestal omsloten door een zuilengalerij, de kloostergang. De aanleg was symmetrisch met in het midden een centrale waterplaats in de vorm van een put of een fontein. De hof was verdeeld in een aantal vakken waarbinnen kruidachtige planten stonden. De vakken werden omsloten door lage buxushaagjes of ander heestermateriaal. Een prachtig voorbeeld van zo’n oude kloosterhof is te vinden bij de Utrechtse Dom. De kloostertuin was meestal een echte ‘nutstuin’: groenten, kruiden en fruitbomen werden in groepen bijeengeplaatst. Om de tuin tegen diefstal en ander ongemak te beschermen plaatste men er vaak een muur omheen.

Kasteeltuin

Een Frans kasteel in de 15de eeuw. De binnentuin heeft geen verdedigingsfunctie meer. Er is nu een bloementuin waar de dames zich mee bezighouden.Aanvankelijk diende het terrein binnen de kasteelmuren natuurlijk voor de verdediging van het bolwerk. Maar, in de loop van de 15de eeuw verloren de kastelen hun verdedigingsfunctie en kwam er aandacht en ruimte voor een tuin. Buiten de poorten verschenen boomgaarden en werden groenten en kruiden gekweekt. Binnen de muren werd vaak een bloementuin gerealiseerd die onderhouden werd door de dames die op het kasteel woonden en die overigens ook graag vertoefden op een ‘zodenbankje’. Dit laatste blijkt uit de vele afbeeldingen op schilderijen en in getijdenboeken uit die periode. De zodenbank was een aarden of stenen bankje bedekt met zoden en bloemen, die in veel gevallen ook nog een symbolische functie had.
 

door: Nicole van der Schaaf