Caarte van de Ambachtsheerlijkheid en Landerije van Maarsbergen.

Deze kaart werd in 1996 geleden op initiatief van Kees van Lambalgen, Flip van de Waerdt en Wim van de Waerdt aan de vergetelheid ontrukt. Zij vonden de kaart in het Utrechts Archief onder nummer TA-168. Zij verzorgden de uitgave van een reproductie van deze kaart met een uitgebreide toelichting.

Voor het tonen van de kaart is een nieuwe scan gemaakt in september 2013. Deze scan is ongeveer 26MB groot en er is veel meer detail op te zien dan op de foto van 1996. Anders dan bij de foto van 1996 is de nieuwe scan niet geretoucheerd. Het kan een flinke tijd duren voor deze scan is gedownload. Maar enig geduld wordt in dit geval rijkelijk beloond!
Om de belangstellenden met wat minder geduld (of een minder snelle internetverbinding ...) ter wille te zijn is ook een afbeelding met een minder hoge resolutie in de collectie opgenomen.

Het grondgebied van de hofsteden is met grote hoofdletters aangegeven. Deze hoofdletters worden wat kleiner herhaald in de bijbehorende percelen. Binnen het grondgebied van een hofstede is het soms even zoeken naar de bebouwing!

De bijlage bij de kaart wordt hierna (met toestemming van de auteurs) integraal overgenomen, alleen de opmaak is hier en daar aangepast.

Voor meer informatie over huize en landgoed Maarsbergen en de bijbehorende hofsteden wordt u verwezen naar de boekjes die verschenen zijn ter gelegenheid van de open monumentendagen 1999 en 2003: De Historische Buitenplaats Maarsbergen en Boerenbouw op Herengoed.


Inhoudsopgave van de Bijlage:

Titelblad

Voorwoord

Bijlage

De kaart onder de Loep

Geraadpleegde Werken


Caarte vande Ambachts Heerlikheid en Landerije van Meersbergen Ao 1716

van: Justus van Broeckhuijsen

De reproduktie van deze kaart is een initiatief van:
Kees van Lambalgen
Flip van de Waerdt
Wim van de Waerdt

De digitale en grafische bewerking van deze kaart is gedaan door:
Bart Hardeman

Druk:
Van Rossums Drukkerij Maarsbergen BV

Inlijsting:
Lijstenmakerij J. van Eckeveld

De hierna volgende bijlage is geschreven door:
Wim van de Waerdt

Woudenberg, mei 1996

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


Voorwoord

Tijdens het tot stand komen van de uitgave "Mersberch, proosdij en kasteel" van Dr. J.C. Klesser kreeg ik in het Rijksarchief Utrecht de prachtige kaart van Justus van Broeckhuijsen onder ogen. Hoewel wat beschadigd bevat zij een schat aan informatie over de geschiedenis van Maarsbergen. Navraag leerde mij dat de kaart nauwelijks wordt geraadpleegd en nooit (in z'n geheel) is gepubliceerd. Om deze reden is hij, zij het sterk verkleind en in zwart wit, opgenomen in genoemde uitgave.

De kaart heeft me echter niet meer met rust gelaten. Zou het mogelijk zijn een reproduktie uit te geven voor de te verwachten kleine groep belangstellenden, gezien het geringe gebied van de kaart? Het bleek al snel dat Kees van Lambalgen en Flip van de Waerdt met hetzelfde idee speelden. Aldus de krachten gebundeld besloten we de nodige informatie in te winnen. Op ons verzoek vervaardigde het Rijksarchief Utrecht (RAU) een grote dia van de kaart welke de basis vormde voor verdere initiatieven.

Al gauw bleek echter onze kennis omtrent grafische technieken te kort te schieten. Gelukkig vonden we Bart Hardeman bereidt hier zijn schouders onder te zetten. Hij digitaliseerde de dia en liet ons zien wat de mogelijke resultaten en kostenkonsekwenties zouden zijn bij keuze voor printen, drukken of fotografisch vergroten.

Een ander probleem vormde de staat waarin de originele kaart zich bevindt. Er zitten wat gaatjes in de kaart en met name de randen zijn plaatselijk behoorlijk beschadigd. Bovendien is het "zwart" van de tekst op veel plaatsen verdwenen. Enig retoucheerwerk was dan ook wenselijk, maar hoever moet je hierin gaan. Moet je een gaaf beeld geven zoals de kaart er in 1716 uitgezien zal hebben, dus als nieuw, of kies je er voor de kaart te laten zien in z'n huidige staat, dus inclusief alle op dit moment aanwezige gebreken. Na veel wikken en wegen hebben we besloten alléén daar te retoucheren waar we vonden dat dit de duidelijkheid ten goede zou komen. Dat betekende het bijwerken van de tekst aan de bovenzijde van de kaart en enkele hoofdletters in de kaart alsmede het vullen van één gat wat hinderlijk midden in de Herenwegh was gevallen. Ook deze werkzaamheden heeft Bart Hardeman geheel belangeloos voor z'n rekening genomen.

Doordat drukkerij Van Rossum bereidt bleek de kaart tegen kostprijs te drukken en bovendien alle aandacht te besteden aan de kwaliteit, werd als procédé voor drukwerk gekozen. Omdat ook lijstenmakerij Van Eckeveld onder dergelijke condities wilde zorgen voor het professioneel inlijsten, inclusief passe-partout en glas, besloten we de kaarten "all-in" aan te bieden. Zouden we dit niet doen, dan zouden de lijsten met toebehoren aanzienlijk duurder worden. Ons doel was een fraai geheel samen te stellen tegen een relatief lage prijs.

Tot slot hoop ik dat de kaart voor sommigen aanleiding zal zijn zich verder te verdiepen in de geschiedenis van Maarsbergen; er moet nog veel te ontdekken zijn!

J. W. (Wim) van de Waerdt

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


BIJLAGE

Caarte vande Ambachts Heerlikheid en Landerije van Meersbergen Ao 1716

Van: Justus van Broeckhuijsen

DE MAKER

De Utrechtse landmeter Justus van Broeckhuijsen, heeft een grote hoeveelheid kaarten nagelaten. Er zijn zo'n zestig kaarten van hem bewaard, gemaakt tussen de jaren 1700 en 1723.

Over zijn leven is niet zo heel veel bekend. In 1696 kreeg hij z'n "commissie". Vermoedelijk in 1701 of 1702 werd hij benoemd tot officieel landmeter van het Hof van Utrecht, als opvolger van Bernard de Roij. Hij is veel werkzaam geweest in de Gelderse Vallei. Zo was hij verschillende keren betrokken bij de afwateringsproblematiek van dit gebied. Ook werd zijn hulp ingeroepen bij inundatieprojecten van militaire aard. Bekende kaarten van zijn hand verschenen o.a. van de Slaperdijk.

Ook heeft hij vele metingen en karteringen verricht van kleine percelen en landerijen. Voor zover bekend heeft hij tweemaal in opdracht een complete ambachtsheerlijkheid gemeten en gekarteerd. Dat was in 1716 Meersbergen en een jaar later Woudenberg.
Deze laatste werd vervaardigd in opdracht van Andries Abbema, heer van Woudenberg. Dit was hij sinds zijn aankoop van Woudenberg (nog zonder Geeresteyn) in 1714 voor tienduizend gulden. Hij woonde op het huis Lichtenberg, gelegen tussen de Wetering (Maarsbergseweg) en de Woudenbergse Grift. De kaart is op papier getekend, geheel ingekleurd en geplakt op linnen. De afmetingen van de kaart zijn ca. 128 x 210 cm.(!) en is eigendom van Het Schoutenhuis BV.
Een royale kleurenafbeelding van de kaart is te vinden in "De Gelderse Vallei, geschiedenis in oude kaarten" van H.P Deys (Utrecht, 1988).

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


WAAROM EEN KAART VAN "MEERSBERGEN"?

In 1714 overleed Margaretha Trip, Ambachtsvrouwe van Meersbergen en weduwe van Samuel de Marez.
Hoewel beiden er in hun testament alles aan hebben gedaan om de ambachtsheerlijkheid ook na hun overlijden in één hand te houden (tot erfgenamen in de vierde graad), bleken de erfgenamen al snel heel andere belangen te hebben.
Voor een verdeling was het noodzakelijk een goed beeld te krijgen van oppervlakte en goederen van de ambachtsheerlijkheid. Hiertoe werd Justus van Broeckhuijsen verzocht te meten en te karteren "de Ambachts Heerlikheid Meersbergen met alle de Hofsteden en Landerijen, Laane, Bosse en Heijvelden". Dit meten ging mede op "aenwijsing van de Bruykers".

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


DE KAART

Het resultaat werd een forse kaart van ongeveer 190 x 120 cm., getekend op papier, geplakt op linnen en ingekleurd. Hoewel de kleuren wat minder zijn dan op zijn latere kaart van Woudenberg, is het resultaat zeer de moeite waard. De afmetingen zijn iets kleiner dan die van de kaart van Woudenberg. Omdat het grondgebied echter beduidend kleiner is, wint de kaart aan duidelijkheid en overzichtelijkheid. De schaal van de kaart is ca. 1 : 3000 (die van woudenberg 1 : 7000). Kompasroos en de passer bij de schaalstok zijn met goud opgehoogd, een luxe die slechts in zeldzame gevallen werd toegepast.
De kaart is zeer gedetailleerd. Elke hofstede is in vogelvlucht perspectief weergegeven met schuren, hooibergen e.d.. Een rood/roze kleur duidt op steen; bruin op hout als bouwmateriaal. Het kasteel is niet in vogelvlucht perspectief weergegeven. Opmerkelijk is dat ook elke boom schijnt te zijn getekend. Soms blijkt zelfs de soort herkenbaar; door kenners werden in elk geval eiken en cypressen (op de Pol) herkend.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


HET GRONDGEBIED

Een foto of tekening van een gebied is altijd een "momentopname". Zowel voor als na dat moment kan een gebied er behoorlijk anders uitzien. Dat gold 280 jaar geleden echter veel minder, en zeker voor Maarsbergen!

In het begin van de 12e eeuw besloeg het grondgebied van Maarsbergen (Mersberch) een iets zuidelijker gebied. Het behoorde aan Folcoldus van Berne (ridder Fulco of Folkold). Het meest noordelijke (mogelijk boven de wetering ten noorden van de Grift) maakte hier echter geen deel van uit. In het zuiden strekte het zich echter uit tot in het latere Darthuizen, Langbroek en Tule (ten oosten van Doorn).

Toen ridder Fulco zijn bezittingen in 1134 schonk aan de nieuw op te richten Abdij van Berne van de Premonstratenzer Orde, schonk de bisschop van Utrecht nog een gebied ten noorden van het grondbezit aan deze abdij. De noordelijke begrenzingen met Woudenberg werden in feite toen vastgelegd. Na verkopingen in het zuiden in 1274 werd ongeveer de omvang van het huidige Maarsbergen bereikt (de Valkeneng kwam er pas weer in 1491 bij). Dit gehele gebied bleef honderden jaren in één hand. Van 1134 tot de confiscatie door de Staat in 1648, van de Abdij van Berne (via diens proost op de proosdij ter plaatse); vanaf 1656 van Samuel de Marez en diens erfgenamen.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


LANDSCHAP EN BEWONING

Bewoning vond aanvankelijk slechts plaats op de flanken van de Heuvelrug (Folcoldusberg, omgeving Buurtsteeg) en, waarschijnlijk, op enkele dekzandruggen in het noorden. Daartussen bevonden zich vooral moerasbossen van wilgen en eken alsmede (natte) heide.

De proosdij en haar pachters zorgden voor een betere afwatering van het gebied waardoor steeds meer grond met succes kon worden ontgonnen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Maarn en Woudenberg, waar ontginningen maar zeer mondjesmaat tot stand kwamen.
In deze periode zal ook de bewoning zijn toegenomen. Haksvoort, Rumelaar, Valkeneng en enkele hofsteden aan de Buurtsteeg bestonden mogelijk al. Spoedig volgden hofsteden als Meijerhorst, Altena, Lammersdam en Uilegat. Al deze hofsteden maakten gebruik van een gemeenschappelijke meent, bestaande uit weidegronden, hooimaat en heide. De gemeenschappelijke meent lag in het gebied tussen wat nu de Haarweg is in het zuiden en Haksvoort in het noorden. Doordat stukje bij beetje steeds meer grond rond de hofsteden werd ontgonnen, was er steeds minder behoefte aan een gemeenschappelijke meent. Deze werd, waarschijnlijk in de 15e eeuw, verdeeld.

In de loop der jaren bleek er zelfs plaats voor de vestiging van nieuwe hofsteden in de oude meent. Zo ontstonden de Meente (mogelijk eerder), de Teut en Rottegat. In het Oudschildregister (een soort grondbelasting) blijken er in 1536 17 hofsteden in Maarsbergen, in 1656 zijn het er 19 stuks en in 1716 tenslotte 20 stuks (incl. Rumelaar).

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


ONTWIKKELING

Ondanks de relatief vroege en snelle ontwikkeling van Maarsbergen in de 12e en 13e eeuw lijkt de tijd daarna vrijwel tot stilstand te zijn gekomen. In 1716, het jaar waarin onze kaart werd vervaardigd, bestaat de oppervlakte van Maarsbergen nog voor ruim 50% uit heide, plassen en driest.
Mogelijke oorzaak kan zijn dat de proosdij in de 12e en 13e eeuw aanvankelijk een kloostergemeenschap herbergde. Deze gemeenschappen stimuleerden (en namen zelf ter hand) ontginningen, ontwateringen, dijkaanleg enz.. Na 1430 kreeg de proosdij echter meer het karakter van een edelmanswoning. Er werd minder gestimuleerd; de proost moest voornamelijk zorgen voor inning van pacht en tienden.

Een tweede, belangrijkere, oorzaak is de schrale zandgrond die nooit hoge opbrengsten had tot de intrede van kunstmest tegen het einde van de 19e eeuw.

Een derde oorzaak betreft de oorlogsperikelen die dit gebied regelmatig hebben geteisterd. Rond 1429 werden proosdij en hofsteden verbrand en verwoest, waarschijnlijk in de strijd om de Utrechtse bisschopszetel. De Abdij van Berne heeft toen op eigen kosten het vernielde proosdijhuis en de hofsteden hersteld. In de eerste helft van de 16e eeuw waren het vooral Gelderse troepen (vaak plunderende en rondzwervende soldaten) die voor overlast zorgden. Soms kon door betaling brandschatting worden voorkomen.
Een rentmeester schreef in die tijd: "Die Geldersche doen als sij altijt gedaen hebben, dair noch eer noch geloof in geweest is dan alle gewalt ende surreptie". Een aantal jaren later woedde de 80-jarige oorlog in het gebied. In 1578 verklaarde een aantal Maarsbergse pachters onder ede "onverdrachelijke lasten ende beswaernissen" ondervonden te hebben van beurtelings Moffen, Duytschen, Goesen (geuzen) en Spaengers.
In de periode 1585 - 1590 waren het vooral Engelse en Hollandse troepen die een plaag vormden voor de ingezetenen.
Door oorlogsgeweld en misoogsten zaten de pachters er in 1595 zo slecht voor, dat de proosdij zich genoodzaald zag aalmoezen uit te delen!
Veel later, in 1787, waren het Duitse soldaten die vanuit hun garnizoen in Wijk bij Duurstede de omgeving onveilig maakten.

Mogelijk kan uit al deze rampspoed worden verklaard hoe het mogelijk is geweest dat de Abdij van Berne en later De Marez alle, of vrijwel alle, gebouwen in eigendom had. Toch werd nog rond 1630 in een staat van goederen van de Abdij van Berne vermeld dat "de huysen oft timmeringhen staende op die parceelen ofte bauhooven voor het meeste ghedeelte toebehooren aen de pachteren ofte baulieden". In 1717 ging dit nog maar op voor een tweetal kleine hofsteden.

De ontwikkeling van Maarsbergen veranderde ook niet wezenlijk toen in 1656 de proosdij in particuliere handen kwam. Slechts de eigenaar van het gehele gebied veranderde; de pachters bleven pachters met enkele rechten en vele plichten. Wel werden tussen 1656 en 1716 diverse hofsteden verbeterd of vernieuwd. Ook na 1716 bleef Maarsbergen er nog lange tijd ongeveer uitzien zoals op de kaart. In de loop van de 18e en 19e eeuw werd de inham begrensd door Altena, Kooyhuis en Valkeneng ontgonnen en ontstonden de hofsteden Koedam, Couthoorn, Blauwe Huis en Kleine Valkeneng (en een reeds verdwenen hofstede aan de Kooisteeg/Kooywegh, ca. 300 m. ten noorden van het Blauwe Huis).

In de 19e eeuw ontstond ook meer bebouwing aan de Griftdijk (o.a. de Griftheuvel), Rottegatsteeg en Haarweg. Weer later werd het heidegebied in het westen ontgonnen: de Hof ter Heide ontstond. Maarsbergen is dan echter al verdeeld door de aanleg van de Rhijnspoorweg in 1844/1845. Voor latere ontwikkelingen moeten we te ver afdwalen van onze kaart. Bovendien is daarover andere lectuur beschikbaar.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


BESTUUR

Bestuurlijk veranderde er wel iets in Maarsbergen na 1656. De nieuwe eigenaar, de Marez, kreeg in 1656 het recht buurmeesters te benoemen en in 1676 de bevoegdheid belastingen te innen (of te laten innen) en een schout aan te stellen.
In 1714 tenslotte mocht, op verzoek van zijn weduwe, het landgoed aanspraak maken op de betiteling "Ambachtsheerlijkheid" (ambachtsheer was degene die als schout namens de graaf optrad voor de uitoefening van bestuur en rechtspraak het betrokken gebied vormde de ambachtsheerlijkheid).

Al met al geeft de kaart een goed beeld van Maarsbergen, zoals het vanaf ca. 1274 was tot aan de aanleg van de spoorlijn en de opening van het station in 1845. In feite verplaatste zich toen de kern van het dorp (voor zover je daarvan kunt spreken) van de "Meersbergse Buurt" bij het kasteel naar het gebied rond het station. Zelfs het hedendaagse Maarsbergen is nog goed van de kaart herkenbaar. We moeten dan wel "even" spoorlijn en vooral snelweg A12 "wegdenken" (nog afgezien van de plannen voor de komende jaren).

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


DE KAART ONDER DE LOEP

DE HOFSTEDEN

Zoals we al eerder lazen, komen op de kaart van 1716 een 19-tal hofsteden voor, evenveel als genoemd bij de verkoop in 1656. Rumelaar (Meersbergs Rumelaer), wel genoemd in 1656, staat helaas niet op de kaart. Daarentegen is Klein Altena tussentijds afgescheiden van Altena, zodat we toch weer op 19 komen.
Het volgende overzicht geeft de hedendaagse benamingen; zij bestonden (m.u.v. Klein Altena) alle reeds in 1656, hoewel de meeste toen nog geen naam hadden en sommige ook nooit kregen.
Een naam geeft overigens geen indicatie over de ouderdom van de hofstede. Zo wordt bijvoorbeeld de naam Haksvoort in 1612 voor het eerst genoemd, terwijl de hofstede waarschijnlijk uit de 11e of begin 12e eeuw stamt! Ook geeft het overzicht geen uitsluitsel over de bouwgeschiedenis. De Meijerhorst bijvoorbeeld, is gebouwd in de 20e eeuw, maar bestaat al vele eeuwen langer.
Alle tegenwoordige hofsteden, welke niet in dit overzicht voorkomen, zijn dus na 1716 ontstaan, bijvoorbeeld: Griftheuvel, de Wei, Weistaar, Hof ter Heide, De Halm, Couthoorn, Koedam, Blauwe Huis, Kleine Valkeneng, Grote- en Kleine Vosse(brink?), Zwaluwennest enz..

De letters geven de hofsteden aan, zoals ze terug zijn te vinden op de kaart.

A. Kasteel.
Voorheen proosdijhuis, gebouwd in de 15e eeuw als opvolger van een eerder proosdijhuis wat door oorlogsgeweld werd verwoest rond 1429. De bijgebouwen ten noorden van het kasteel dateren uit de 17e eeuw en zijn afgebroken in de 19e eeuw.

B. Valkeneng.
Reeds genoemd in 1408, toen Oud-Broekhuizen werd overgedragen aan de heer van Waayestein te Amerongen. Hierbij inbegrepen was o.a. het "ewelicken ende erfelicken" recht om heide te winnen en te maaien op het goed Valkeneng. De hofstede lag aan de westzijde van de Valkenengseweg, vrijwel in het verlengde van de latere Scherpenzeelseweg. In de 19e eeuw ontstond noordelijker, aan de overkant van de Valkenengseweg, de "Kleine Valkeneng". De oorspronkelijke Valkeneng, nu Grote Valkeneng, werd gesloopt in 1889 waarna bos werd aangeplant (het Valkenengsebos). De naam Valkeneng is mogelijk een verbastering van Fulco' s eng (met "eng" werd in het Nedersticht akkerland bedoeld wat elders "es" werd genoemd).

C. Cruyvoort.
Gelegen schuin tegenover het kasteel. De naam wordt voor het eerst genoemd in 1717. Het tweede deel van de naam "voort" betekend voorde of doorwaadbare plaats, en heeft waarschijnlijk betrekking op het Zwarte Water. Cruyvoort is nog aanwezig.

D.
Ongenoemde hofstede, gelegen evenwijdig ten westen van Cruyvoort, welke later wel "De Brink" werd genoemd. Nog aanwezig.

E.
Ongenoemde hofstede, schuin tegenover D. aan de andere kant van Buurtwegh en Wijksewegh, is in elk geval al voor 1832 verdwenen.

F.
Ongenoemde hofstede, verderop langs de Buurtwegh, welke later "De Kikvorsch" werd genoemd. Bestaat nog.

G.
Ongenoemde hofstede, ten westen van E, en wat verder van de weg af, is eind veertiger jaren van deze eeuw gesloopt. Hij verraadt zijn plaats nog door een open plek aan de huidige Maarnse Grindweg.

H.
Ongenoemde hofstede, gelegen recht tegenover G. aan de over(noord)kant van de Buurtwegh, brandde in 1959 af en werd toen vervangen door de huidige bebouwing.

De hofsteden C t/m H waren allen gelegen aan de Buurtwegh en vormden samen de "Meersbergse Buurt". Tezamen met het proosdijhuis/kasteel was deze buurt in de middeleeuwen in feite de kern van de mark of het dorp.

J.
Ongenoemde hofstede gelegen tussen Herewegh, Wijksewegh en Utrechtsewegh, werd later "Bloemheuvel" genoemd, weer later "Grote Bloemheuvel" en "Wapen van Maarsbergen". De hofstede werd herberg/hofstede na opening van het station Maarsbergen in 1845.

K. Uilegat.
Genoemd in 1717, gelegen op de rand van een "zandduin", afgebroken in de 19e eeuw en vervangen door Anderstein. Het Uilegat stond ca. 200 meter westelijker dan waar nu Anderstein staat aan de Heijgraaf; ongeveer tegenover de huidige villa.

L.
Ongenoemde hofstede, gelegen op de rand van een "dekzandrug", enkele honderden meters ten oosten van K., later (o.a. op diverse 19e eeuwse kaarten) "De Meente" geheten. Zij dankte haar naam ongetwijfeld aan het feit dat zij in de voormalige meent ligt. De hofstede, met dwarshuis, is nog aanwezig.

M. 't Kooyhuis.
Genoemd in 1717, werd later herberg/hofstede/postkoets station de "Kleine Bloemheuvel" en in deze eeuw Motel Maarsbergen. In 1535 kreeg Laurens Wolfswynckel (en zijn echtgenote Jannetgen) het Zwarte Water en andere plassen in pacht. Zij hadden een eendenkooi of koekel getimmerd, waarvan "De Kom" het restant is. Overigens bestond deze kooi waarschijnlijk al ver voor 1535.

N. De Teut.
Genoemd in 1717, was gelegen ca. 200 m. ten zuiden van de Griftdijk en ca. 300 m. ten westen van de Rottegatsteeg. Zij was evenals L. gelegen in de voormalige meent en werd eind vorige eeuw afgebroken. De naam betekend tuit of toelopend stuk land. Het is ongetwijfeld de strook land welke op de kaart breed ten westen van Haksvoort begint en naar het zuiden toe smaller wordt, om te eindigen bij De Teut. De strook wordt sinds de 16e eeuw doorsneden door de Schoonderbeekse Grift (later kortweg de Grift). Later verrees een nieuwe Teut aan de Griftdijk, ten noordwesten van de oorspronkelijke.

O. Altena.
Genoemd in 1630, later "Groot Altena" na afsplitsing van "Klein Altena", werd afgebroken in verband met de aanleg van de Rhijnspoorweg Utrecht-Arnhem in 1844/1845. De naam zal door de Premonstratenzers zijn geïmporteerd. De Abdij van Berne lag immers in het "Land van (Heusden en) Altena" (zie ook V).

P. Meijerhorst.
Genoemd in 1656, is echter gezien de ligging al veel ouder. Ten westen van de hofstede leidde een schapendrift naar de heide in het zuiden. De hofstede ligt aan de Griftdijk, even ten noorden van de Haarweg en bestaat nog.

Q.
Ongenoemde hofstede op de kruising van Rottegatsteeg en Griftdijk, later wel "Rottegat" genoemd en volgens de boedelscheiding van 1717 eigendom van de grondgebruiker. Zij is, evenals L. en N., gelegen in de oorspronkelijke meent. De hofstede is nog aanwezig.

R. Klein Haksvoort.
Waarschijnlijk al voor 1536 afgescheiden van "Haksvoort", was dit in elk geval volgens de kaart van 1716. De hofstede ligt evenals "Groot Haksvoort" op een in de laatste ijstijd gevormde dekzandrug. De hofstede werd op 19e eeuwse kaarten ook wel "De Meent" genoemd. Om het nog verwarrender te maken werd op een latere kaart van Van Broeckhuijsen de naam "Klein Haksvoort" gebruikt voor "Lammersdam" en in de boedelscheiding van 1717 de naam "Lammersdam" voor "Klein Haksvoort". De hofstede ligt westelijk aan de Rottegatsteeg, ongeveer 600 m. ten noordoosten van de Griftdijk en is nog in bedrijf (zie ook S. en T.).

S. Groot Haksvoort.
De naam Haksvoort (Haxfoort) komt voor het eerst voor in 1612. In dat jaar werd door de Abdij van Berne een onderzoek naar de proost van Meersbergen ingesteld naar aanleiding van klachten tegen hem van een aantal pachters, waaronder Everaert Geraertsen, pachter van Haxfoort. De hofstede behoort tot de eerste op Maarsbergs grondgebied en ontstond waarschijnlijk al in de 11e (!) of begin 12e eeuw. Hij is gelegen op een zogenaamde "dekzandrug".
De eerste ontginningen volgden ook min of meer de vorm van deze rug. De ronde vormen rond Haksvoort wijken duidelijk af van de blokvormige ontginningen in de omgeving. De naam Haksvoort duidt op een haakse voorde (doorwaadbare plaats). De hofstede ligt ca. 200 m. ten noorden van R., en 200 m. vanaf de Rottegatsteeg en bestaat nog.

T. Lammersdam.
Genoemd in 1717, is waarschijnlijk evenals Klein Haksvoort een vroege afsplitsing van Haksvoort (waarschijnlijk al vóór 1536). Het feit dat hij niet op, maar tussen twee dekzandruggen in ligt maakt het waarschijnlijk dat de hofstede jonger is. De naam betekent waarschijnlijk gewoon de "dam van Lammert", eind 17e eeuw werd de hofstede gepacht door een zekere Dirk Lambertsen (Lammert). De hofstede ligt ca. 500 m. ten oosten van S., pal aan de Rottegatsteeg (zie ook R.).

V.
Ongenoemde hofstede welke later "Klein Altena" werd genoemd, is eind 17e eeuw afgesplitst van het oorspronkelijke Altena (O.). De hofstede ligt iets ten westen van O. en is in 1716 slechts 2 morgen groot. In de boedelscheiding van 1717 is sprake van een bouwhuis, eigendom van de grondgebruiker. De hofstede bestaat, in tegenstelling tot O., nog.

W.
Gemeenschappelijke heide welke ca. 50% van het totaal uitmaakt.

De inham in de noordelijke begrenzing met woudenberg wordt "Rumelaar onder Meersbergen" genoemd en heeft een oppervlakte van ca. 30 morgen. Van Broeckhuijsen heeft dit Maarsbergse Rumelaar helaas niet in kaart gebracht, waarschijnlijk omdat het niet behoorde tot het bezit van de familie De Marez. Volgens historici (Kroes) is het Maarsbergse Rumelaar het oudste gedeelte van de buurtschap Rumelaar en, evenals Haksvoort, al in de 11e of begin 12e eeuw ontstaan. De naam komt voor het eerst voor in 1242. Mogelijk is het zelfs hetzelfde als het reeds in 1133 genoemde "Ruvoort". Dit Ruvoort wordt in verschillende middeleeuwse akten genoemd als grens (in 1133 als zuidoostelijke begrenzing van de woudenbergse bezittingen van de abdij van Oostbroek; in 1248 als noordelijke begrenzing van de Maarsbergse bezittingen van de Abdij van Berne). Het is overigens ook niet uitgesloten dat met Ruvoort het erf Haksvoort werd bedoeld. De opvolger van Meersbergs Rumelaar is de boerderij die later ook wel "'t Hoekje" werd genoemd en nog bestaat (kruising Rottegatsteeg en Rumelaarseweg).

Het overzicht op de volgende pagina geeft de oppervlakte van de in gebruik zijnde grond van de verschillende hofsteden, zoals deze ook voorkomen rechtsonder op de kaart. Ter vereenvoudiging is alleen de oppervlakte in morgen gegeven. De door Van Broeckhuijsen gebruikte morgen is de zogenaamde Rijnlandse morgen; deze is ca. 0,85 ha.

Buiten het feit dat er nogal wat verschillen in tellingen zitten, is het opmerkelijk dat Van Broeckhuijsen op een totaal van maar liefst 1699 morgen komt. Bij de verkoop in 1656 was de totale oppervlakte slechts 1492 morgen.

Mogelijk wordt het verschil veroorzaakt doordat de grenzen in het zuiden en oosten nogal willekeurig getrokken lijken te zijn. Ook kan het zijn veroorzaakt doordat het wateroppervlak tussen 1656 en 1716 afnam, o.a. door ontginningen aan weerszijden van de Herewegh (tussen Kooywegh en Wijksewegh). Tot slot kan bij de genoemde hofsteden ook wat grond onder Maarn meegeteld zijn die bij deze. hofsteden in gebruik was; De Marez had grond onder Maarn in bezit.

Hofstede Bouwland Weijland Plantagie Heijveld ea Totaal
A. Kasteel 0 3 60 0 68
B. Valkeneng 34 13 0 12 60
C. Cruijvoort 15 12 0 7 35
D. (De Brink) 19 11 0 9 41
E. (?) 26 14 0 5 46
F. (Kikvorsch) 23 8 0 0 31
G. (?) 29 13 0 13 56
H. (?) 24 8 0 0 33
J. (Bloemheuvel) 31 9 0 1 42
K. Uilegat 41 14 0 1 56
L. (De Meente) 27 12 0 2 43
M. Kooijhuis 3 3 7 1 15
N. De Teut 15 7 0 0 23
O. Groot Altena 24 9 0 19 52
P Meijerhorst 36 15 0 0 52
Q. (Rottegat) 9 3 0 1 13
R. Klein Haksvoort 19 14 0 1 35
S. Groot Haksvoort 27 26 0 0 54
T. Lammersdam 32 19 0 0 51
V. Klein Altena 2 0 0 0 2
W. 846 846
de laane 38 38
Totaal 450 215 115 920 1699

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


WEGEN, PADEN EN DIJKEN

De kaart geeft ook de beplanting weer van de wegen, waar aanwezig zelfs de houtwallen rond de diverse percelen. Waar deze beplanting ontbreekt, werd het tracé van de wegen slechts door een simpel lijntje aangegeven, zonder strekking met betrekking tot de breedte of het belang.

De Herewegh was vanaf het proosdijhuis/kasteel in noordelijke richting verhoogd aangelegd door het drassige heidegebied naar de meentgronden. Na 1660 werden aan beide zijden stukjes grond ontgonnen ten behoeve van akker- en grasland.

De Kooijwegh loopt ruim 200 m. ten oosten van, en parallel aan, de Herewegh. Hij loopt vanaf De Pol langs de eendenkooi waaraan hij zijn naam dankt, naar de Haarwegh/Utrechtsewegh. Het laatste gedeelte (nu tussen spoorlijn en Haarweg) heet sinds de jaren zestig "Spoorlaan". Helaas zijn toen de forse beuken aan beide zijden gekapt.

De Wijksewegh loopt ruim 200 m. ten westen van, en parallel aan, de Herewegh. Hij loopt vanaf de Utrechtsewegh over Broekhuizen naar Wijk bij Duurstede. Het gebied tussen Kooijwegh in het oosten en Wijksewegh in het westen is ontgonnen tussen 1660 en 1716.

De Laan na den Valken Engh dankte zijn naam aan zijn eerste bestemming, maar ging na de Valkenengh zonder boombeplanting verder naar Leersum en/of Darthuizen. In noordwestelijke richting kruist hij de Kooijwegh en de Herewegh om over te gaan in de Buurtwegh.

De Buurtwegh voerde in westelijke richting door de "Meersbergse Buurt" en vervolgens door de "Maarnse Buurt" om te eindigen bij de weg Doorn-Amersfoort. De Buurtwegh is de huidige "Buurtsteeg".

Even ten zuiden, en vrijwel parallel aan de Buurtwegh liep de Engh Wegh. Hij ging na De Pol als "Bovenwegh" verder en sloot aan op de voortzetting van de "Laan na den Valken Engh". In westelijke richting ging hij over de heide naar de Maarnse eng, welke weer was gelegen aan de reeds lang verdwenen weg Amersfoort - Wijk bij Duurstede. Langs de Enghwegh lagen diverse akkertjes, behorende bij de hofsteden aan de Buurtwegh. Deze ontginningen hebben kennelijk weinig succes gehad, want rond 1845 werd hier doorheen (tussen Buurtwegh en Enghwegh) de "Valkenengseweg" (de latere "Maarnse Grindweg") aangelegd. De Enghwegh verloor toen zijn betekenis. De naam ging echter over op de net aangelegde weg vanaf de Herewegh langs de zuidkant van de spoorlijn in westelijke richting (deze Engweg bestaat nog wel).
Overigens is het goed mogelijk dat de hierboven genoemde ontginningen niet zozeer probeersels waren, maar overblijfselen uit (veel) oudere tijden. Oude strokenontginningen tegen de helling van de heuvelrug treffen we immers ook aan in Maarn en Ginkel.

De Haarwegh liep vanaf de Heijgraaf in oostelijke richting langs Meijerhorst en Altena naar de buurtschap De Haar.

De Utrechtse Wegh sloot bij de Heijgraaf aan op de Haarwegh; kruiste de Herewegh, voegde zich bij het Woudenbergse voetpad, kruiste de Buurtwegh en leidde uiteindelijk naar Doorn (en eventueel verder naar Utrecht). Het is waarschijnlijk dat bij de boedelscheiding van 1717 deze weg wordt bedoeld met "Kruijswegh".

De Maatwegh is de noordelijke voortzetting van de Herewegh na de knik ter hoogte van het Uilegat; hij dankte zijn naam aan de daaraan gelegen hooilanden (de hooimaat). Hij eindigde op de Griftdijk. Wanneer men deze even in westelijke richting volgde, kon men zijn weg verder noordelijk vervolgen langs het "Cruijsbosje"; we komen dan op de Weteringsedijk welke langs Lichtenberg naar Woudenberg voerde.

De Griftdijk (de naam komt niet voor op de kaart) werd aangelegd langs de in de 16e eeuw gegraven "Schoonderbeekse Grift" (later Woudenbergse Grift of kortweg "Grift").

De Rottegatsteeg (de naam komt niet voor op de kaart) loopt vanaf de Haarwegh in noordnoordoostelijke richting dwars door de (voormalige) meentgronden, kruist de Schoonderbeekse Grift en vervolgt zijn weg langs Haksvoort, Lammersdam en Rumelaar richting Woudenberg.

Het Hinderdijkje werd waarschijnlijk in de 12e-14e eeuw (hij wordt in elk geval in 1370 genoemd) door de proosdij aangelegd ter bescherming van de Maarsbergse hooilanden tegen wateroverlast. In de 14e eeuw werd de "Weteringsedijk" hierop aangesloten als hoofdas voor de daar uitgevoerde ontginningen (onder Woudenberg).
De op de kaart aangegeven ca. 85 m. brede strook aan de overzijde van het dijkje berust waarschijnlijk op een vergissing van Van Broeckhuijsen of diens informanten. Het dijkje vormde, en vormt, de grens met Woudenberg.

In het uiterste noorden is een klein stukje zichtbaar van de Rumelaarseweg (de naam komt niet voor op de kaart). Hij gaat naar het noordwesten richting Huisstede en Woudenberg.

Genoemde wegen zijn vrijwel allen nog aanwezig en in gebruik. Sommigen nog slechts als bospad, zoals de Enghwegh, Kooijwegh en het noordelijke deel van de Wijksewegh. De Utrechtsewegh verdween vanaf het punt dat hij in zuidwestelijke richting afbuigt; waarschijnlijk door de aanleg van de spoorlijn.
De Laan na den Valken Eng, Herewegh en Maatwegh vormen samen thans de Woudenbergseweg (de scherpe knikken ter plaatse van kasteel en Griftdijk zijn eruit gehaald). De daarop aansluitende Weteringsedijk heet nu Maarsbergseweg. Van de Herewegh is nog een (doodlopend) stukje klinkerweg overgebleven, bereikbaar vanaf het tolhuisje tegenover het kasteel.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


WATEREN

Blijkt de ligging van hofsteden en de loop der wegen niet ingrijpend veranderd; met de wateren ligt dit toch wat anders. Door de slechte afwatering van het gebied verzamelde zich reeds in de prehistorie veel water en ontstonden moerassige plekken. Slechts hoger gelegen delen, zoals uiteraard de Heuvelrug en de dekzandruggen, bleven droog.

Om een idee te krijgen kunt u zich een voortzetting van de Leersumse plassen proberen voor te stellen in westelijke richting tot op Maarns grondgebied. In het noorden tot boven de Haarweg, tot aan Brummelsbergen en mogelijk verder. In het zuiden tot aan de hogere gronden van de Heuvelrug; dus langs de Valkeneng, tot vlakij het kasteel en vandaar naar de Halm.
Dit drassige plassengebied bleef waarschijnlijk bestaan tot de stichting van de proosdij in 1134. Een oplossing voor de slechte afwatering zal waarschijnlijk de hoogste prioriteit hebben gehad. Als deze er nog niet was, zijn het ongetwijfeld de kannuniken van de proosdij geweest, die het probleem deels hebben opgelost door het graven van een Heydengrave (de Heijgraaf).

Het overtollige water kon weg; er bleven echter flinke plassen bestaan alsmede drassige delen. Zo wordt in 1248 gesproken over het "Grundelosermere", wat kan worden vertaald met: grondeloos meer.
Vanaf 1370 wordt gesproken van het "Zwarte Water"; waarschijnlijk wordt hiermee dezelfde waterpartij bedoeld.
De zandgronden (op een moeilijk doordringbare laag) hebben in het gebied een vrijwel zwarte kleur, veroorzaakt door een hoge zuurgraad. Een plas lijkt daardoor ook zwart, waardoor de bodem al snel niet meer zichtbaar is. De benamingen van zowel Grundelosermere als Zwarte Water zijn hierdoor verklaarbaar. Overigens kwam ter plaatse van het huidige wijkje De Heijgraaf nog in de 60er jaren van deze eeuw regelmatig een flinke (zwartkleurige) plas voor in het toenmalige dennenbos. Aan de overkant van de Heijgraaf waren slootjes gegraven voor afvoer van overtollig water naar de Heijgraaf.

De plassen op de kaart zijn waarschijnlijk alle diepere overblijfselen van het toenmalige Zwarte Water. Het zijn: de Soers Kolck (Zure Kolk) tegenover het latere "Koedam", 't Haamgat even ten oosten van het huidige "De Halm", de niet met name genoemde Vogelkooij (nog gedeeltelijk bestaand als "De Kom"), een niet benoemde plas tussen Wijksewegh en Buurtwegh en tenslotte de net buiten de kaart vallende Oude Koij. Deze laatste lag op Maarns grondgebied tegen de grens met Maarsbergen, tegenover het huidige "Brummelsbergen". Zij was eigendom van het Domkapittel te Utrecht en is in de 16e of 17e eeuw verdwenen. Het feit dat hier een tweetal vogelkooien voorkwamen duidt ook al op een waterrijk gebied. Het latere turfveld "Venenzicht" ten noorden van de Haarweg dankt mogelijk zijn oorsprong aan de moerassen aan de oever van het Zwarte Water.

De Heijgraaf (niet met name genoemd op de kaart), genoemd in 1370 maar al veel eerder gegraven (zie hierboven) zorgde voor de afvoer van overtollig water vanuit het gebied ten oosten van de Kooij via Woudenberg en Geerestein naar de Lunterse beek. Om te zorgen dat Woudenberg geen wateroverlast kreeg, was daartoe ca. 300 m. ten zuiden van de Haarwegh een schut (sluisje) aangebracht (wel op de kaart).
Overigens bestaat er nog altijd onduidelijkheid over wanneer en door wie de Heijgraaf is gegraven. Het feit dat de Heijgraaf iets ten zuiden van De Meente een vrij scherpe knik naar het westen maakt, en zich op de kaart nog een watertje uit oostelijke richting bij de Heijgraaf lijkt te voegen, doet vermoeden dat de Heijgraaf oorspronkelijk water afvoerde uit de omgeving van Meijerhorst en/of Altena. Het zuidelijkste deel (waarin het schutje) zou dan de in 1370 gegraven heul kunnen zijn die door de proosdij werd gegraven.

De Schoonderbeekse grift werd midden 16e eeuw gegraven door Antwerpenenaar Gillebert van Schoonebeecke die daarmee turf (naar Amersfoort) en water kon afvoeren uit zijn venen nabij de Emminkhuizerberg. Aanvankelijk wilde Van Schoonebeecke van deze grift een echte scheepvaartverbinding maken (Rijn-Amersfoort), maar de stad Utrecht voorkwam dit omdat men bang was voor handelsconcurentie.

De sloot na den Soerskolck lijkt in de 17e eeuw te zijn gegraven om een teveel aan water uit de kasteelgrachten naar de Soerskolck te leiden. Het traject is nog gedeeltelijk zichtbaar in het landschap.

Tot slot is ten noorden van de Schoonderbeekse grift nog een wetering zichtbaar. Hij komt bij de Ringelpoel (op Rumelaar) in het noordoosten Maarsbergen binnen en lijkt in het noordwesten aan te sluiten op de Woudenbergse Grift of loopt langs de Weteringse Dijk naar Woudenberg. Op de kaart van Van Broeckhuijsen van Woudenberg uit 1717 wordt dit stroompje inderdaad De Wetering genoemd.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


OVERIGE BENAMINGEN

Zeer duidelijk herkenbaar op de kaart is "De Pol", in het verleden de "Folkoldsberg" genoemd, naar zijn begin 12e eeuwse bezitter, ridder Fulco/Folcold (latijn: Folcoldus).
Rond 1660 was deze heuvel begroeid met heide. In 1716 blijkt er geboomte te zijn aangeplant (sterbossages) wat de uitzonderlijk ronde vorm van de heuvel nog accentueert. Op de top stond een 6- of 8- kantig stenen bouwwerk waarschijnlijk een flink theehuis, omgeven door cypressen.

Ten noorden van het kasteel zijn aan beide zijden van de oprijlaan bijgebouwen zichtbaar. Bij het begin van de Herewegh stond een poort. Door De Marez werd ook een zeer indrukwekkende Hollands-classisistische tuin aangelegd. De geometrische aanleg hiervan is gedetailleerd weergegeven op de kaart. De Pol maakt hier min of meer deel van uit, alsmede de Herewegh als zichtas.

Bij de noordwestelijke grensovergang met Woudenberg lag 't Cruijs-bosje, dat naar alle waarschijnlijkheid zijn naam dankte aan een vroeger daar opgericht "vredeskruis", een grenspaal die het einde aangaf van de rechtsmacht van de desbetreffende overheid. Dit driehoekig stukje grond is daarop altijd in bezit gebleven van proosdij/kasteel. Er ontstond een boerenbedrijfje wat begin deze eeuw werd vervangen door de huidige dubbele woning.
Op de kaart wordt de kruising van Maatwegh/Weteringsedijk en Schoonderbeekse Grift, dus net ten zuiden van 't Cruijsbosje, met 't Cruijs aangegeven.

Om de schapen naar de gemeenschappelijke heide en terug te drijven waren schapendriften in gebruik. Op de kaart is er ten westen van Meijerhorst nog één herkenbaar. Ten westen van Groot Haksvoort is een mogelijk overblijfsel zichtbaar.

Bossen waren in 1716 nog niet of nauwelijks aanwezig. Als zuidelijke afscheiding van de Valkeneng zien we een strook bos welke is aangeduid met 't Conijnebosje. Verder de aanplant rond de Kooij en op de Pol.

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


Geraadpleegde werken

Bovendien:

Tot slot dank aan:

Ga naar: Inhoud | Kaarten | Home


© Cultuurhistorische Commissie Maarn-Maarsbergen 2013