De uiterwaarden van de Lek hebben een grote aantrekkingskracht op wintergasten; ganzen, eenden en andere watervogels die in de winterperiode naar onze streken afreizen. Maar dat niet alleen. Ze trekken ook mensen aan mensen die naar die vogels komen kijken. Deze fraaie winterdag met heerlijk rustig weer, waren dat er ruim twintig, die verzameld in vijf auto’s vanuit Maarn naar de het veer bij Beusichem reden. Om voor enkele uren deelgenoot te kunnen zijn van het leven van honderden, wellicht duizenden vogels. Ik weet niet hoe u dat beleeft, maar ik voel me als ik vogels kijk een beetje een voyeur. Voor éven mag ik een glimp opvangen, een kijkerbeeld, een roep, een moment, een uur hoogstens meemaken van een wonderlijk bestaan, dat zich afspeelt tussen onze uiterwaarden en de toendra van het noorden. Toendra’s waar wij geen weet van hebben. We geven ze namen, we tellen ze. In een poging iets van ze vast te houden. Inmiddels zijn ze weggevlogen, terug, waarheen eigenlijk? Niemand die het weet. Het gaat vanzelf, en dat is het mooie aan natuur; het gaat vanzelf.

We bezochten deze ochtend twee natuurontwikkelingsgebieden die rond 2000 zijn aangelegd in de uiterwaarden bij Beusichem en de Steenwaard tegenover Culemborg. In beide uiterwaarden is klei afgegraven voor de dijkverzwaring en baksteenindustrie.

In de Beusichemse Waard werden we zeer hartelijk ontvangen door de heer van Hapert, particulier eigenaar van de uiterwaard, die speciaal voor ons uit Bergeyk was gekomen. Samen met zijn beheerder/pachter de heer Vernooij uit Beusichem maakten we een wandeling over de eeuwenoude Koornkade vanaf de veerweg naar de dijk. In deze uiterwaard is in de periode 1998 tot 2000 klei afgegraven tot op de zandondergrond, waardoor een tweetal oude beddingen weer zichtbaar werden en een brede strang (geul) is ontstaan. We konden met eigen ogen waarnemen dat de wintergasten dat zeer wisten te waarderen. In de geul zagen we enkele honderden Smienten, vergezeld door 4 Wilde zwanen, Krakeenden, Kuifeenden, Meerkoeten, Kokmeeuwen, Slobeenden, Bergeenden en uiteraard Wilde eenden. Op de graslanden tussen de geul en de rivier vertoefden enkele honderden Kolganzen, op veilige afstand. Op de oevers zag Ab nog een Groenpootruiter. De heren van Hapert en Vernooij verhaalden ondertussen enthousiast over het gebied, over de moeite die ze moesten doen om de ontwikkeling van wilgen binnen de perken te houden en om het gebied schoon te houden, en over de vraag hoe de ontwikkeling van rietmoeras op gang gebracht zou kunnen worden.

Via de fraaie dijk reden we naar Culemborg, langs fraaie notenbomen én een kolonie Blauwe reigers, die al ijverig aan hun nesten aan het werken waren. Diverse Buizerds kruisten onze route. In Culemborg staken we het veer over naar de Steenwaard. Alwaar voor de verslaafden één kan koffie te verdelen was. Maar het gebrek aan koffie werd ook in dit natuurontwikkelingsgebied ruimschoots goedgemaakt door de vele wintergasten die zich hier ophielden. Bijzonder was een paartje Casarca’s. Voor velen onder ons was het de eerste keer zat ze deze fraaie opvallend oranjekleurige vogels zagen. De Casarca is een aan de Bergeend verwante soort. Jaarlijks verblijven er enkele tientallen buiten het broedseizoen in Nederland. Een fraai beeld ontstond toen ze samen met een Holenduif op een paaltje en met een paartje (ook fraaie) Nijlganzen in een kijkerbeeld te vangen waren. Ook in de Steenwaard is tussen 1998 en 2000 een brede geul gegraven. Het gebied wordt beheerd door Staatsbosbeheer met Schotse Hooglanders, die onze bezigheden landerig aanschouwden. De nieuwe geul was overladen was met honderden Smienten, Grauwe ganzen, Wilde eenden en Meerkoeten; vergezeld door enkele paartjes Bergeenden, enkele groepen Kuifeenden, twee fraaie Brilduikers, enkele Zaagbekken, Futen, Krakeenden, Slobeenden en Wintertalingen. Een groep van 14 Wulpen vloog over. Kieviten liepen langs de oevers. Op de graslanden rondom de geul verbleven grote groepen van enkele tientallen Kolganzen en honderden Brandganzen, gelardeerd enkele Indische ganzen. Op de dijk troffen we twee vogelaars van de Natuur- en Vogelwacht Culemborg die speurden naar een zeldzame Roodhalsgans, die die ochtend tussen de Brandganzen zou zijn gezien tijdens de wintergastentellingen. Enkelen van ons speurden mee, maar helaas zonder resultaat. Maar dat gaf niet, de ochtend was al meer dan geslaagd. En dan heb ik de vele Aalscholvers op de kribpalen langs de rivier, de Oeverlopers langs de rivier, de Knobbelzwanen en Wilde zwanen in de weilanden, de Torenvalken biddend boven de dijk, de Canadese ganzen in de Bossenwaard, de Houtduiven, de zingende Roodborstjes en Heggemussen nog niet genoemd.
Kortom, een geslaagde excursie. Voor herhaling vatbaar.

Jos Rademakers (met dank aan Ab Voskamp), 14 februari 2004